Posts tonen met het label documentary. Alle posts tonen
Posts tonen met het label documentary. Alle posts tonen

woensdag 8 oktober 2014

Dear Mr. Watterson


“For all their seeming simplicity the expressive possibilities of comics rival those of any other art form”. Bill Watterson

De poststempel van Kansas City MO is van 28 april 1992. Op de envelop ligt Calvin met een gelukzalige glimlach tegen Hobbes aan te slapen. Hobbes slaapt ook, met zijn poot beschermend om hem heen. Het briefhoofd is andere koek. Het laat Calvin zien die door de lucht vliegt in de poten van Hobbes die hem bij terugkomst van school verrast als hij ongemerkt door de voordeur wil gaan. De tekst van de brief is als volgt:

Dear Reader,

I dislike form letters, but the amount of mail I receive forces me to resort to one. Nevertheless, thank you for writing, and I hope you will read and enjoy Calvin and Hobbes for some time to come.

Sincerely,

Bill Watterson

Mijn vrouw (toen al en nog steeds) en ik waren helemaal gek van de strip. Het was een tijd waarin ik zeer intensief bezig was met comics en dan kom je vroeg of laat Calvin And Hobbes van Bill Watterson tegen. Als je de strip eenmaal hebt gelezen ben je voor altijd fan. Om Bill Watterson van onze bewondering op de hoogte te brengen besloten we een brief naar hem te sturen. Die brief begon vast en zeker met… Dear Mr. Watterson.

Het is dus ook de titel van een documentaire gemaakt door  Joel Allen Schroeder, die uitlegt hoe het allemaal voor hem begon. Onderzoekend gaat hij op pad om andere fans en mensen uit de industrie op te zoeken en aan het woord te laten om er achter te komen waarom de strip zo’n enorme impact op zoveel mensen heeft gehad.

Voor diegenen die zich afvragen, waar gaat dit over: Calvin is een boefje van zes jaar met een immense verbeelding die een knuffeltijger (Hobbes) heeft die voor hem echt een grote levende tijger is. Dat zie je ook zo in de strip, tot er andere personen bijkomen, dan is Hobbes weer als knuffel getekend. Ze beleven samen de meest fantastische avonturen, die echter altijd op de realiteit zijn gestoeld. Het is fantastisch om te zien hoe dramatisch alles in de fantasie van Calvin verloopt, terwijl het zo normaal is in het echt. De strip is begonnen als krantenstrip.

Humoristisch, eigenzinnig, fantasierijk, vrolijk, simpel, fris, uniek, gelaagd, filosofisch… Het zijn enkele van de termen die worden genoemd in deze ode. Of, zoals een bewonderaar het mooi weet samen te vatten: “this is everyone of us”! Het is ook tijdloos, het gaat van generatie op generatie (ik heb de Nederlandse vertalingen ook aan mijn zoon gegeven).

De documentaire laat verder de woonplaats van Watterson zien, zijn eerste publicaties in de plaatselijke krant, het feit dat alle originelen zijn toevertrouwd aan een museum, de enorme invloed die Watterson op andere cartoontekenaars heeft gehad, maar ook de artiesten waar hij zelf door is beïnvloed. Eén van de meest opvallende zaken is toch wel dat Watterson nooit iets heeft willen weten van commercie rond zijn strip of publiciteit rond zijn persoon. “He’s the sasquatch of comic books”, roept iemand. Hij wilde zich alleen maar focussen op tekenen. In Amerika alleen al zijn er 45 miljoen stuks van zijn bundels verkocht. Hij had waarschijnlijk miljoenen kunnen verdienen aan Calvin shirts en Hobbes knuffels, maar hij was er van overtuigd dat dit zijn creatie zou veranderen, misschien zelfs stuk maken. Daarbij zou hij zich bezig moeten houden met het hele circus er om heen, aandacht die hij niet in zijn strips had kunnen stoppen, waardoor zijn kunst zich misschien nooit zo had kunnen ontplooien.

“Calvin & Hobbes was designed to be a comic strip and that’s all I want it to be. It’s the one place where everything works the way I intend it to”. Bill Watterson

Vandaag de dag is de markt heel anders. Krantenstrips zijn er nauwelijks, of krijgen bijna geen ruimte meer. Het internet biedt veel meer, met een groter bereik, maar het is veel vluchtiger en heeft minder impact. Het is nog maar de vraag of een strip als Calvin and Hobbes vandaag de dag nog zo’n impact zou hebben gehad.

Het is een verademing te weten dat Watterson zo integer was, niet is gezwicht voor het grote geld en dat de documentairemaker hem in zijn waarde heeft gelaten. Watterson komt nergens in beeld of aan het woord. Het gaat ook niet om de man als wel om zijn werk. En als deze documentaire iets bewerkstelligt is het wel dat je direct zin krijgt om deel 1 van de serie uit je kast te trekken en met een dekentje, een kop warme chocolade en twee koekjes op de bank te kruipen en die betoverende wereld te betreden.


“Let’s go exploring”!


woensdag 22 januari 2014

HitRECord on TV


(1e seizoen, ? afleveringen, 23 min, IMDb 9,3)

Zoals gezegd ga ik vanaf dit jaar niet wachten met het recenseren van tv-series tot het einde van het jaar in het jaaroverzicht, wat ik tot nu toe altijd deed. Zodra ik een serie heb gezien zal ik er over schrijven. Dat kan aan het einde van de serie (seizoen) zijn, of eerder als ik voortijdig afhaak. Er zit een hoop in de pen: Sophie’s Web, Masters Of Sex, Real Humans S2, Girls S3, True Detectives, The White Queen, Helix, Danni Lowinski S2…

Een aantal series heb ik al afgewerkt en komen er aan.

Als je trouwens op de hoogte wilt blijven van alles wat met TV-series te maken heeft wil ik je verwijzen naar de hoogst informatieve blog The TV-Files

HitRECord on TV is een buitenbeentje en gebruik ik nu meer als inleiding voor de aankondiging andere series en gewoon om je er op te wijzen. Het is het ‘brainchild’ van de bekende acteur Joseph Gordon-Levitt (en zijn broer) die enkele jaren geleden begonnen met een website voor hun ‘Open Collaborative Production Company’. De vrolijke en zeer aimabele gastheer van de show legt het zelf even uit. “Open meaning anyone can contribute. Collaborative meaning we use the internet to work on our projects together. Production Company, cause that’s what we do”. Ze brengen namelijk korte films uit, boeken, albums, zijn op tournee geweest en als klap op de vuurpijl zijn ze nu op TV!

Het is dus de bedoeling dat iedereen op de wereld zijn rode RECord knop op aan zet en creatief in de weer gaat. De site is dan waar alles samen komt en van daaruit kan men elkaar aanvullen en worden dingen vervolmaakt. De hoogtepunten zien we nu terug op TV.

Het is een eclectische show die toch iets van eenheid probeert te scheppen door per aflevering een thema te kiezen. Dit keer is dat het getal ‘1’, waar je dan op zich weer alle kanten mee op kan gaan. De show is zowel grappig, informatief (zoals het Pando Forest en de Honey Mushroom) , ‘thought provoking’, creatief, maar toch ook wat onsamenhangend en erg in de tijdgeest: vluchtig en snel, snel, snel.

Joseph is de prima gastheer die ook nog blijkt te kunnen piano spelen en zingen. Het algemene gevoel dat ik na één uitzending had: positiviteit!


Mocht je mee willen doen met dit creatieve proces, leef je dan uit via HitRECord.org. Daar kun je ook clips van de show bekijken.

dinsdag 31 december 2013

The Act Of Killing


Voormalige beul Anwar Congo loopt naar een plek waar hij vroeger veel mensen (‘communisten’) ombracht. Hij laat op een wit binnenplaatsje de methode zien en gebruikt een vriend als voorbeeld. De man gaat op zijn knieën. Er zit een metalen koord vast aan de muur. Die doet Congo rond de nek van de man. Aan het uiteinde van het koord zit een stok, zodat je beter grip hebt. Congo zet zich schrap en trekt het koord strak. Zo wurgde hij ze. Dat gaf niet zo veel bloed. Om zijn zinnen te verzetten luisterde Congo veel naar muziek en ging hij dansen. Hij doet het voor, begint te dansen. Te dansen op de plek waar hij tientallen ‘communisten’ heeft afgemaakt.

Deze documentaire gaat over de leiders van doodseskaders in Indonesië rond 1965, die miljoenen mensen hebben vermoord, nadat het leger de macht had overgenomen. Deze beulen lopen nog altijd vrij rond, zijn nooit veroordeeld, zijn nog altijd onderdeel van onfrisse praktijken en enkele van hen wordt nu gevraagd door documentairemaker Joshua Oppenheimer om te vertellen over hun toenmalige daden die ze op filmische wijze uit te beelden, waarbij ze glamoureus Hollywood als grote voorbeeld nemen.

Wat je te zien krijgt is te bizar voor woorden en gaat mijn begrip in ieder geval totaal te boven. Het is zowel verbazing- als weerzinwekkend hoe deze criminelen zo openhartig, zonder scrupules, zelfs vol geestdrift over hun wandaden vertellen en deze vol overgave uitbeelden alsof het een interessant experiment was dat ze nog eens met plezier herhalen.

De documentaire is een opeenstapeling van totaal onwerkelijke situaties en gesprekken. Zoals de prachtige beginbeelden (zie poster) die een onderdeel vormen van het uitbeelden van hun visie. Het punt waarop men net bezig is uit te beelden hoe ze iemand zo effectief mogelijk wurgden en dan even stoppen omdat ze horen dat het gebed begint. De wijze waarop Congo zichzelf in zijn filmversie tot verlosser en held maakt door zelfs zijn slachtoffers dit te laten zeggen.

Het is enorm knap hoe Oppenheimer het zo objectief mogelijk vast legt, maar niet bang is om hier en daar een pittige vraag te stellen. Niet iedereen die aan de film heeft meegewerkt is daar overigens zo open in, want het aantal vermeldingen van ‘anonymous’ op de aftiteling is legio. Maar vrees komt niet op bij de hoofdrolspelers van deze film. Ze zullen beroemd worden hierdoor, denken ze! “Jakarta is niets. Londen!”


In het midden van deze ongelooflijke documentaire doet één van de beulen aan iets van introspectie en legt uit waarom hij geen slecht geweten heeft. “Iemand vermoorden is het ergste wat je maar kunt doen. Het komt er dus op aan om een manier te vinden om je niet schuldig te voelen. Je moet gewoon een goed excuus zoeken. Als ze mij bijvoorbeeld vragen of ik iemand wil vermoorden en ik krijg daarvoor een behoorlijke vergoeding dan zal ik dat natuurlijk doen. Als je het vanuit dat perspectief bekijkt, is het niet fout. Dat perspectief moeten we onszelf voorhouden. Dat het niet fout is”. 

dinsdag 19 november 2013

S&Man (Sandman)


Tijdens een filmfestival werd J.T. Petty’s debuutfilm Soft For Digging getoond. We raakten aan de praat. Hij was alweer bezig met een nieuw project dat gebaseerd was op een jeugdervaring, waarin een buurman jarenlang allerlei buurtbewoners in hun huizen had begluurt en er opnames van had gemaakt. Toen ze de man te pakken kregen, wilde niemand getuigen omdat opnames uit hun privésfeer dan openbaar zouden worden. Dat en de combinatie met de film Peeping Tom die grote indruk had gemaakt deed hem besluiten op onderzoek te gaan naar echt gevaarlijke films. Films die te maken hebben met parafilie. Petty kwam al snel terecht bij filmmakers als Fred Vogel, bekend van zijn August Underground serie en Maskhead. “We just want to spread our sickness into the world”. Een quote waarin ik me wel kan vinden. Ook Bill Zebub komt aan het woord en hij vertelde dat zijn uitermate low budget films vooral bedoeld zijn voor perverselingen die er bij aan hun gerief kunnen komen. Ook scream queen Debbie D. doet haar zegje. Ze heeft in veel films van Bill Zebub gespeeld en praat over zogenaamde ‘custom tapes’, films die naar de wens van de klant in elkaar worden gezet. W.A.V.E. productions is zo’n bedrijfje dat daarin voorziet. Debbie zegt: “I think we’re all a little bit off”. Speak for yourself, zeg ik…

Om zijn documentaire te onderbouwen heeft Petty ook interviews gedaan met een seksuoloog, forensisch psychiater en Carol J. Clover, die professor is in (o.a.) filmstudie en een bekend boek heeft geschreven genaamd  Men, Women, and Chainsaws: Gender in the Modern Horror Film. Ze meldt dat men door parafilie de vrouw objectiveert. Ze beweert ook dat slasherfilms gemaakt zijn voor nerds, die nu vanuit hun veilige luie stoel thuis eindelijk zien hoe die populaire mooie meiden die hen altijd hebben gedist, als eerste over de kling worden gejaagd of worden misbruikt. Ze kruipen in de rol van de aanvaller die nu eens niet de kwetsbare positie heeft. Een standaardwerk als Henry: Portrait Of A Serial Killer is een belangrijk ijkpunt geweest vanwege het voyeuristische element, als Henry en Otis samen de opnames bekijken van hun eigen moordpartij. In dit filmpje zie je mijn ontmoeting met Michael Rooker en hoe ik hem mijn eigen film overhandig. Een ander element in de beleving van extreme (horror)films kan zijn dat je terug verlangt naar het niveau van sensitiviteit dat je had toen je nog maar 15 jaar oud was en voor het eerst een enge film zag.

Het is inderdaad om de kick dat ik mijn films maak. De S&Man serie. Ik heb al heel wat episodes gemaakt. Het zou fijn zijn als meer mensen zouden zien wat ik doe, wat ik heb gemaakt. Vandaar mijn interesse om mee te werken aan de documentaire van Petty. Maar ik heb hem wel eerst uitgecheckt. Hij en zijn crew. Hij leek me oprecht en mijn drang naar waardering zorgde voor de medewerking die ik heb verleend. Ik gaf hem verschillende episodes van mijn filmreeks, waarin ik telkens één meisje achtervolg op straat en haar uiteindelijk vermoord. Dat laatste gaat dan op verschillende manieren. Het is wel altijd even uitvogelen waar de camera moet staan om het beste shot te krijgen. Het ging echter vervelend worden dat Petty bleef doorzeuren over de actrices uit mijn films en of hij er eentje kon interviewen. Het moet allemaal niet te dichtbij komen. Dus toen heb ik de medewerking maar opgezegd. Het moet geen last worden. Het mag mijn films op geen enkele manier in gevaar brengen.


Deel 15 is nu net af en ik heb alweer een nieuw meisje op het oog voor een volgende episode. Ze werkt als kassière bij een supermarkt. Ik ben al een paar keer langs haar kassa geweest met wat boodschappen. De eerste opnames heb ik ook al. Dat ze op haar fiets naar huis gaat. Maar zien waar en hoe het schip strandt. 

donderdag 12 september 2013

Stories We Tell


“Tell the whole story, in your own words”, vraagt filmmaakster Sarah Polley aan haar vader. “I guess I better pee first” is het gevatte antwoord. Dezelfde vraag wordt gesteld aan meerdere familieleden en enkele kennissen. Allemaal vertellen ze hun verhaal. Een verhaal dat begint bij Sarah’s moeder, wat voor vrouw ze was. De relatie met haar man, Sarah’s vader komt naar voren en het feit dat Sarah bijna niet was geboren. Het is één van de vele verrassingen in het verhaal die ook nog eens erg mooi wordt geformuleerd door de vader: “Amazing isn’t it, how close we were to you never existing”. Het wordt langzaam maar zeker duidelijk dat Sarah deze documentaire over haar familie niet voor niets maakt. Ze is de spil in een uiterst bewogen verhaal en gaat eigenlijk op zoektocht door de ogen van anderen.

Erg mooi en slim gedaan is de manier waarop je op welk moment welke info krijgt toebedeeld als kijker. Je wordt steeds weer verrast waardoor je ook je perspectief diverse keren bij moet stellen. Sarah heeft voor een visuele vorm gekozen waarin vijf elementen zitten. Je hebt de interviews zelf, de sprekende hoofden. Dan is er de vader, die los van het interview ook zijn aan papier toevertrouwde verhaal voorleest. Verder heb je ‘super 8’ opnames van de betrokkenen in het verleden, zowel authentieke beelden als nagespeelde scènes door acteurs. Als laatste zijn daar de video opnames van familieleden, nagespeeld door die familieleden. Ik begrijp dat je niet alleen maar pratende hoofden in beeld wilt hebben. De oude opnames veraangenamen de kijkervaring, waarbij het zelfs even duurde voordat ik doorhad dat het vaak om door acteurs nagespeelde beelden ging. De videobeelden van recente gebeurtenissen die worden nagespeeld door de familieleden zelf gaat mij een stap te ver, leidt te veel af en komt juist ongeloofwaardig over.


Desalniettemin weet deze documentaire enorm te boeien en leef je mee met diverse leden van de familie. Dat het Sarah daarbij niet gaat om de absolute waarheid te achterhalen, maar om de verschillende (subjectieve) verhalen te horen is wat deze documentaire nog een meerwaarde geeft. Dat ze zelf niet veel aan het woord komt geeft aan dat ze een beschouwelijk type is, dat de ideale vorm heeft gevonden om haar verhaal via anderen te vertellen. Met mijn opmerking over haar in de recensie van Take This Waltz zat ik er dus niet ver naast. “Polley fascineerde me. Dat gezicht dat zoveel leek te verbergen en slechts hier en daar iets los liet”. Ze heeft nu in ieder geval een stukje van haar verleden met ons gedeeld. 

zaterdag 24 augustus 2013

Can’t Stand Losing You – Surviving The Police


Het is 4 oktober 1983. We (mijn vriendin die nu nog altijd mijn vrouw is, haar nichtje, een vriend en ik) staan met z’n vieren voor het hotel in Rotterdam waar Sting, Stewart en Andy zich bevinden. Op slinkse wijze is mijn vriendin er achter gekomen welk hotel dat is. Gewoon bellen en zeggen dat je van bloemisterij zus en zo bent en een boeket bloemen hebt voor de heer Sumner. Of die inderdaad in het hotel zit. Toen kon dat nog. Na een hotel of drie heeft ze beet. Het Hilton. We staan een tijdje voor de deur te wachten. We zien Ad Visser die een interview gaat doen. Men vraagt ons niet voor de deur te blijven hangen, dat we een seintje krijgen als ze naar beneden komen. We vragen aan Ad of hij handtekeningen wil regelen voor ons en dat belooft hij. Mijn vriendin en haar nichtje hebben iets gemaakt voor Sting en dat willen ze graag aan hem overhandigen. Dat mag niet, maar we mogen wel naar zijn kamer bellen (!). Mijn vriendin krijgt eerst Kim Turner (manager) aan de lijn, die de telefoon vervolgens aan Sting geeft (!), die met een slaperige stem zegt dat hij wakker is gebeld. Ze biedt haar excuses aan en vraagt toch of hij beneden wil komen om een cadeau in ontvangst te nemen. Twee dagen er voor was hij namelijk jarig. Helaas wordt dat hem niet, maar een medewerker van het hotel zegt dat hij het cadeau aan Sting af zal geven. We gaan naar buiten op de stoep zitten, aan de rustige zijkant van het hotel, waar we wachten op wat we hopen dat misschien nog gaat gebeuren: een ontmoeting. Na een tijdje rondhangen zien we plotseling wat beweging achter de gordijnen van het raam van één van de (vele) kamers, precies aan de zijde waar we zitten te wachten. Het is Sting, die het cadeau (een grote zelfgemaakte kaart) voor zijn raam zet en naar ons zwaait. We beginnen ‘happy birthday’ te zingen en zien dat Sting met zijn vingers de maat slaat.  

Het wordt al laat, het concert zal straks beginnen en Ahoy is enige metrohaltes hier vandaan. We moeten niet te laat weg hier, maar we willen eigenlijk wachten op het moment dat het trio het hotel zal verlaten. Het geluk is aan onze kant, want we krijgen te horen dat ze naar beneden komen. Allereerst komt Stewart Copeland op ons aflopen. We zijn een beetje ‘starstruck’ en weten niets te zeggen. Hij loopt ons straal voorbij en stapt in een voorgereden limousine die meteen vertrekt. Enkele minuten later komt Andy Summers de lobby in. In een wanhopige poging om de man een halt toe te roepen vraagt mijn vriend aan Andy: “aren’t you Andy Summers?”, waarop hij (zeer gevat en grappig, al vonden we dat op dat moment niet) antwoordt: “no, I just look like him”, langs ons heen loopt, ons verder negeert en in de volgende limo stapt die ook weg rijdt. Hebben we daarvoor al die tijd staan wachten? Maar goed, het gaat de meiden voornamelijk om Sting en wanneer die als laatste de lift uitkomt zorgen we er voor dat hij er ongeveer niet door kan. Hij blijkt iets vriendelijker, bedankt voor het cadeau en zet één handtekening, waarna ook hij in een aparte limo stapt en richting Ahoy wordt gereden. Mijn vriendin heeft het niet meer en zegt de historische woorden: “ik heb hem aangeraakt”.

We rennen naar de metro om zo snel mogelijk bij Ahoy te geraken. Als we de zaal inlopen zien we dat de immense zaal al helemaal vol is. We ‘lopen op de maan’ en voelen ons sterren die zelf op komen treden als we langs iedereen naar voren lopen en onze zitplaatsen opzoeken. We zien wat bekenden van school en roepen ze een jaloersmakend “we hebben ze ontmoet” toe en lopen nog verder naar voren om uiteindelijk vlak voor het podium op de derde rij plaats te kunnen nemen. We zijn gearriveerd, het concert mag gaan beginnen…

Vier blaagjes waren we, met een schaamteloze fan-ervaring op zak.

In de documentaire Can’t Stand Losing You maakt Andy Summers op een gegeven moment duidelijk hoe hij zich tijdens die periode voelde: “We speed away from shows in three seperate limo’s. It’s either take off instantly or be trapped in the building for several hours. It’s a peculiar anti-climax to go within minutes from a burning stage with crazed auditorium to the solitude and roaring silence of your pastel papered hotel room. (…) I’m very specific about my needs: I don’t ever wanna see a freeway let alone hear it. No male fans within a ten mile radius, ever. Leave me the fuck alone until gig time. (…) I’m a rock ‘n’ roll asshole, emaciated millionaire prick and fuck everything”.

Dat was geen ‘happy place’ waar hij zat en het verklaart zijn houding betreffende onze ontmoeting. Hoe het zo ver is gekomen vertelt Andy in de documentaire die gebaseerd is op zijn boek One Train Later. Het is een soort beknopte samenvatting in beeld en geluid. Je hoort zijn stem letterlijk (de soms wat hoogdravende) teksten uit zijn boek oplezen. Een kort overzicht van zijn jeugd, de bands waarin hij heeft gespeeld vóór The Police, de ontmoeting met Sting en Stewart en een droom die uitkomt en een nachtmerrie wordt. Je vraagt je af hoe ze het überhaupt nog vijf albums lang hebben uitgehouden met elkaar. Aan het einde lijkt het op naar je werk gaan waar je geen zin in hebt, met collega’s die je niet uit kan staan. Maar het betaalt zo goed.
Het portret is niet bijzonder indringend, maar het geeft een verhelderende blik op de ontwikkeling van deze wereldband, die zeer snel tot grootse hoogte kwam door de drie grote ego’s, maar er net zo snel aan ten onder ging. De hele periode duurde maar een jaar of zeven.

Net als in het boek worden beelden van vroeger gelardeerd met beelden van hun reünie-tour uit 2007 en voelen de bespiegelingen die Summers over ons uitstort als van een wijs geworden opa, die toch nog één keer het positieve gevoel van vroeger wil terughalen met de band die zijn leven heeft getekend. Ik hoop dat dit voor hem is gelukt. Of dat hij op zijn minst zijn pensioengat heeft kunnen dichten. Voor mij liep die herbeleving helaas uit op een teleurstelling.


Het mooiste fragment van de documentaire is als (de oude) Andy door de kleine straatjes van een Japanse wijk loopt, foto’s maakt en opeens een karaoke versie van Every Breath You Take uit een bar hoort komen. Hij gaat de piepkleine kroeg binnen, gaat naast de man staan die met het nummer meezingt en zingt vervolgens met hem mee zonder dat iemand hem herkent. Pas als het nummer is afgelopen, trekt Andy zijn muts van zijn hoofd en wordt hij herkent door de aanwezigen die hun ogen niet kunnen geloven. Een magisch momentje voor iedereen, de kijker inbegrepen.

woensdag 21 augustus 2013

Comic-Con Episode IV: A Fan's Hope


Morgan Spurlock werd bekend door zijn geslaagde documentaire Supersize Me, waarin hij een maand lang bij McDonalds gaat eten, elke keer positief moet antwoorden op de vraag of hij zijn maaltijd ‘supersized’ wil hebben en zich gedurende deze periode laat checken door artsen om te zien wat het effect is van het ‘junkfood’ op zijn lichaam. Na o.a. het interessante The Greatest Movie Ever Sold (geheel gefinancierd door sponsors) richtte hij zijn aandacht op het fenomeen van de bezoekers van de grootste stripboekenbeurs in de wereld, de San Diego Comic-Con.

Deze stripbeurs begon ooit in 1970 met het idee om de amateur(fan) in contact te brengen met de professional(artiest). Men hoopte op een bezoeker of vijfhonderd… De film is opgenomen in 2010 en de beurs is uitgegroeid tot de grootste in zijn soort met 125.000 bezoekers die gedurende vier dagen rondstruinen in een wereld waar fantasie nog geen limiet kent. Het gaat Spurlock om die bezoekers te leren kennen en dat doet hij door wat archetypen te nemen en die te volgen vanaf hun voorbereiding tot en met de laatste dag van de beurs. Zo heb je ‘the collector’, die een dag van tevoren in de rij gaat staan om er zeker van te zijn dat hij een gelimiteerde action figure van Galactus kan scoren. Dan zijn er twee mannen die in hun vrije tijd zelf tekenen, de droom nastreven om bij een uitgever aan de slag te kunnen en hun werk op de beurs (op speciaal daarvoor bedoelde bijeenkomsten) laten zien aan specialisten. We volgen ‘the survivor’ Chuck Rozanski, eigenaar van het (bij insiders) bekende Mile High Comics, die zijn hoofd boven water probeert te houden met de verkoop van zijn comics, maar ziet dat het steeds minder gaat om comic als wel games en films en de bijbehorende grote commerciële belangen*. We zien een dame die met haar vrienden het hele jaar in haar garage werkt aan kostuums zodat ze er uit zien als hun favoriete spelcomputer personage en een optreden kunnen geven. En dan is er ook nog een verliefd stel waarvan de man zijn vriendin ten huwelijk wil vragen tijdens de talkshow van Kevin Smith. Daarnaast zien we een hoop bekende koppen uit het wereldje (Josh Wedon, Kevin Smith, Eli Roth, Tim Bradstreet, Robert Kirkman, Todd McFarlane, Frank Miller, Guillermo Del Toro, Joe Quesada, Stan Lee, Grant Morrison) die allemaal bekennen zelf ook fanboys te zijn en hun idolen te hebben. 

De documentaire is op zich niet zo bijster interessant. Voor mensen die deze wereld niet kennen is het een leuk kijkje in de gekte, maar er zit weinig verdieping in. Voor de fan is het andere koek. Het is één grote gesneden koek die heerlijk verorbert kan worden! Want daar gaat het tenslotte om: herkenning en erkenning. Zoals een jongen zegt die verkleed is als één van zijn helden: “Even though I’m not famous, I get to be aknowledged”. Fanboys zullen smullen van de parade van Princess Leia’s in hun ‘metal bikini’, een traantje wegpinken als het ‘ja-woord’ wordt gegeven bij Kevin Smith en instemmend knikken als een enthousiaste bezoeker het moeilijk vindt om keuzes te maken: “there’s too much awesomeness simultaneously”.

Zelf ben ik al enkele jaren gestopt met het serieus verzamelen van comics. Maar er wordt mij in deze documentaire een spiegel voorgehouden als een man zegt dat hij al tien jaar niet meer verzamelt, maar nog elk jaar naar de San Diego Comic-Con gaat omdat hij zich daar thuis voelt. Ik herken dat. Het is een gevoel dat je niet kwijt raakt. Het is een wereld die in je hart zit.



*In Amerika zijn comics big business. Om een voorbeeld te geven, Chuck Rozanski biedt Red Raven #1 uit 1940 van Marvel aan op de beurs. De comic is officieel gewaardeerd door CGC (Comics Guaranty Company) die deze issue een 9,1 heeft gegeven. De verkoopwaarde staat op $ 500.000. De eerste issue van Action Comics waarin Superman zijn debuut maakt is vorig jaar verkocht voor dik 2 miljoen dollar (waar een leuk verhaal aan vast zit). En de business er omheen is dus nog veel groter, zoals bij de lancering van een nieuwe superheldenfilm of een nieuwe game voor de Xbox of PS3.  

zondag 17 februari 2013

Jason Becker: Not Dead Yet



Ik: “Interesse?” (met link naar Jason Becker: Not Dead Yet)
Hij: “Totaal niet eigenlijk. Jij?”
Ik: “Jawel. Ga hem binnenkort eens bekijken... Schijnt een goede docu te zijn”.
Hij: “Oh het zal vast goed zijn. Maar ik vrees toch dat het weer een kwestie van talking heads die beschrijven hoe briljant en uniek hij in zijn jeugd was, misschien wel de beste muzikant ooit, gevolgd door de dramatische sectie over zijn ziekte, oh groot onrecht en verlies van talent, om af te sluiten met hoe zijn liefde voor muziek hem heeft doen overleven en overwinnen als een fenix, bijgestaan door de liefde van zijn ouders. Laatste statement in de docu: hij is dankzij zijn ziekte een veel beter componist en muzikant geworden dan dat ie gezond ooit geweest zou zijn! Dat is wat ik denk dat het is. Maar duw mijn neus vooral diep in hoever ik er naast zit!”

Nou, dat ga ik niet doen, want natuurlijk zit hij er niet veel naast. Hij is een vriend die net als ik zijn muzikale wortels in de jaren tachtig heeft zitten en dan specifieker in de Heavy Metal.

Voor wie niet weet wie Jason Becker is: een technisch virtuoze gitarist die in de jaren tachtig op zeer jonge leeftijd furore maakte in de band Cacophony (met Marty Friedman) en daarna op twintig jarige leeftijd werd gevraagd door David Lee Roth om in diens band te komen als opvolger van Steve Vai. Het album dat hij met David heeft gemaakt heet A Little Ain’t Enough en al tijdens die opnames werd duidelijk dat Jason de ziekte ALS (Amyotrofe Laterale Sclerose oftewel Lou Gehrig's Disease) had en deze progressieve ziekte weet binnen afzienbare tijd zijn zenuwen te vernielen waardoor hij totaal verlamd raakt en snel zal sterven.
Maar…, hij is nog niet dood. Voornamelijk door de goede zorg van ouders en (voormalig) verloofde, die hem met goede voeding van een bijna lijk weten om te toveren tot een normaal uitziende man, die met behulp van een speciaal voor hem uitgevonden manier van gebarentaal - waarbij hij alleen zijn ogen gebruikt - weer kan spreken en zelfs muziek kan maken.

Ik: “Soms kan het heerlijk zijn als verwachtingen uit komen, toch?”

Dus het is best heftig als je via diverse sprekende hoofden (familie, vrienden, muzikanten) hoort wat de jonge man is overkomen. Maar vooral het tweede deel is interessant. Hierin wordt duidelijk hoe hij de muzikale symfonieën die hij in zijn hoofd hoort weet om te zetten naar hoorbare muziek. Als je weet hoeveel noten per minuut hij gemiddeld speelde, moet het niet gemakkelijk zijn om dit proces te vertragen, zodat je noot voor noot kunt aangeven wat het moet zijn. Het doet denken aan de prachtige film The Diving Bell And The Butterfly, waarin de verlamde Bauby een heel boek weet te schrijven. Het doet denken aan de fantastische film Amadeus, waarin de componist op zijn sterfbed noot voor noot zijn Requiem uitspelt aan Salieri. Maar dat waren (hoogstaande) gedramatiseerde verfilmingen en dit is een documentaire, die zeer zeker weet te boeien, maar niet excelleert, zoals Becker dat ooit zelf deed.  

Voor de volledigheid wil ik nog even zeggen dat ik de muziek van Jason Becker in mijn Metal verleden wel heb leren kennen, maar er nooit echt een fan van ben geweest. De technische virtuositeit werd mijns inziens nooit omgezet in een herkenbaar eigen geluid of memorabele muziek. Iets wat ik bij Eddie Van Halen en Yngwie Malmsteen bijvoorbeeld wel vond.

Conclusie? Het enige waarop mijn vriend er naast zit, is dat deze documentaire gespeend is van melodrama en er zeker niet wordt gezegd dat hij nu een betere muzikant is dan hij toen was. Duidelijk is wel dat de lijdensweg van Becker pas nu en dankzij deze film goed tot mij is doorgedrongen.

vrijdag 6 april 2012

Superheroes



Dark Guardian, Vigilante Spider, Insignis, Amazonium, The Conundrum, Zetaman, Mr. Xtreme, Zimmer, Lucid, T.S.A.F., Master Legend, Symbiote, Apocalypose Meow…

Komen deze superhelden namen je niet bekend voor? Ook al ben je een doorgewinterde comic book fan? Het zijn ‘real life’ superheroes. Mensen die inderdaad een zelfgemaakt pakje aantrekken en ten strijde gaan tegen de misdaad. Je treft ze aan door geheel Amerika. Mike Barnett maakte er een documentaire over.
“The World is a dangerous place. Not because of those who do evil, but because of those who look on and do nothing”. Albert Einstein. Met deze quote begint de film, die bestaat uit interviews en verslagen op locatie. 

De ‘superhelden’ zelf komen uitgebreid aan het woord. Het zijn vaak mensen die een problematisch verleden kennen, een slechte jeugd hebben gehad. Ze voelen zich geroepen om iets te doen aan onrechtvaardigheid, waar niemand wat aan doet, zoals ook niemand hen hielp toen het slecht met ze ging. Ze hebben geen vertrouwen in het systeem, de politie, en ze willen iets doen aan het gevoel van apathie dat alom heerst. Nobele gedachten die in actie moeten worden omgezet. Hoewel er ook lichtelijk geschifte, c.q. pathetische gevallen tussen zitten, heeft iedereen goede bedoelingen. Dat ziet ook de politie en bijvoorbeeld comic book legend Stan Lee, hoewel ze ook hun bedenkingen ventileren.

Zijn het dan (super)helden? De mensen op straat reageren vooral lacherig. De komische nerd-factor wordt door de filmmaker maar al te graag onderstreept. Zo roept een buurtbewoner tegen Mr. Xtreme op vijandige wijze: “get off my property!”  Mr. Xtreme doet een paar passen richting de openbare stoep en mompelt “thanks for saying please”. Een andere gemaskerde man laat ons weten dat hij aan vechtsporten en free running doet, waarop hij een salto maakt om het bewijs te leveren, maar pardoes op zijn gat valt. Ook een mooi voorbeeld: in reactie op een bevlogen betoog van Vigilante Spider waarin ‘thuiskomen’ en ‘vriendin’ voorkomen, vraagt de regisseur: “So you have a girlfriend?” Waarop de superheld antwoordt: “No, I was just metaphorically speaking”. Zo; is dat vooroordeel ook weer bevestigd.

Op een enkeling na die opbiecht het toch vooral te doen omdat het ‘a lot of fun’ is, zijn de meesten bezielde individuen die wel degelijk een verschil willen maken. Naarmate de documentaire vordert focust de maker zich toch ook op de serieuze kant. Mr. Xtreme hoopt vooral een “visual deterrent  to prevent crime” te zijn. Daarbij zijn er meerdere helden die goed werk verrichten voor daklozen en andere behoeftigen en geven eten en kleding weg, of hebben simpelweg aandacht voor die verloren ziel die op straat slaapt.

Diepgravend wordt het nergens. Een psycholoog blijft steken in algemeenheden. Toch is het leuk en ook mooi om te zien dat er mensen zijn, die om welke reden dan ook een betere plek willen maken van de wereld. Dat doen ze dan in een opvallende outfit. Maar dat het daar niet echt om draait verwoordt Mr. Xtreme heel mooi: “It’s not the costume that makes you a superhero, it’s what’s in your heart and what you do”.  

woensdag 21 maart 2012

Paradise Lost



In 1993 worden drie jongetjes van acht jaar op brute wijze mishandeld en vermoord gevonden in Robin Hood Hills, West Memphis, Arkansas. Na een maand onderzoek wordt een jongen door de politie ondervraagt. Het is  Jessie Miskelley jr. (17). Jessie heeft een IQ van 72 en geeft na uren van ondervraging toe dat hij  samen met Damien Echols (18) en Jason Baldwin meegewerkt heeft aan de moorden. Jessie wordt het eerst berecht en krijgt levenslang plus 2 maal 20 jaar. Daarna volgen Damien en Jason, die achtereenvolgens de doodstraf en levenslang krijgen. De hele zaak wordt gefilmd door twee documentaire makers die hun film Paradise Lost: The Child Murders At Robin Hood Hills in 1996 op de Amerikaanse tv-zender HBO tonen. Het heeft grote gevolgen.

Paradise Lost: The Child Murders At Robin Hood Hills is een zowel fascinerende als weerzinwekkende blik in een strafzaak die een grote gerechtelijke dwaling blijkt te zijn, waar de aanklagers zich hebben blind gestaard op een resultaat dat in hun ogen te maken moest hebben met een Satanisch ritueel, waarin de buitenbeentjes Damien, Jason en Jessie een hoofdrol kregen toebedeeld. De film laat zien dat de drie op basis van bijna niets voor altijd achter de tralies komen, met uitzicht op een fatale injectie voor Damien. Jason weet het mooi samen te vaten als hij zegt dat de term ‘innocent until proven guilty’ voor hen omgekeerd leek te zijn gebruikt: ‘guilty until proven innocent’. De documentaire laat zeer schokkende beelden (foto’s) zien van de omgebrachte kinderen en de vreselijke details van de misdaad. Je huivert als kijker van deze feiten, maar ook van de manier waarop deze rechtszaak is gelopen, waarbij men van ‘proof beyond reasonable doubt’ kennelijk nog nooit heeft gehoord.


De gevolgen van de uitzending van de documentaire was dat een flink aantal mensen zich ging inzetten voor de ‘West Memphis Three’ (WM3), zoals de drie jongens werden genoemd. Dit krijg je te zien in de tweede documentaire genaamd Paradise Lost 2: Revelations (2000). Ze zorgen er voor dat de zaak niet wordt vergeten, steunen de jongens en zetten al hun bevindingen (bewijzen) op een website om het publiek te informeren over de gerechtelijke dwaling. De advocaat graaft samen met (echte) deskundigen dieper in de materie en vindt nieuwe bewijzen die in de eerste rechtszaak over het hoofd zijn gezien. Maar de grootste rol is weggelegd voor de stiefvader van één van de vermoorde kinderen, John Mark Byers, die met zijn idiote gedrag de aandacht op zich vestigt. Hij lijkt steeds meer een verdachte in de zaak te worden, zeker als zijn vrouw komt te overlijden zonder dat ze vast kunnen stellen waaraan ze is overleden. De man is een griezel in woord en daad en lijkt vooral in het middelpunt van de belangstelling te willen staan. Ondanks alle aandacht worden alle verzoeken tot een nieuwe rechtszaak afgewezen.


In 2011 wordt de laatste documentaire gemaakt: Paradise Lost: Purgatory. Naast een verkorte weergave van wat er zoal is gebeurd de afgelopen 18 jaar (!) wordt de nadruk nu gelegd op het verzamelen van bewijs waaruit moet blijken dat de ‘West Memphis Three’ het niet gedaan kunnen hebben. Gerenommeerde deskundigen doen hun zegje in een persconferentie waarin de nieuwe bewijzen (DNA) worden gepresenteerd. Het maakt deze derde film wat droger en taaier, maar het blijft boeiend te zien hoe velen zich hard maken om een fout met grote gevolgen voor de drie mannen (ondertussen) die in de gevangenis zitten te herstellen. John Mark Byers laat zich ondertussen van een geheel andere kant zien (met hetzelfde doel) en de grootste woede van de ouders van de vermoorde jongetjes jegens de veroordeelden is getemperd.  Een nieuw proces lijkt onvermijdelijk. Het wordt echter een soort schikking, waarin de veroordeelden gebruik maken van het zogenaamde ‘Alford Plea’, waarbij ze zeggen dat ze onschuldig zijn, maar toch schuld bekennen om een nieuwe lange rechtszaak te voorkomen, waarna ze na 18 jaar en 78 dagen eindelijk weer vrij zijn.

Je bent wel een uur of zeven kwijt als je de drie films hebt bekeken, maar het is meer dan de moeite waard. De eerste film is het meest indrukwekkend. Schokkend op vele manieren. De tweede film wordt een beetje een ‘circus sideshow’,  door alle publieke aandacht in het algemeen en de geschifte hoofdrol van John Byers in het bijzonder. De laatste film is een wat droger strafrecht gebeuren, waarin elk miniem nieuw bewijs een strohalm kan zijn (en wordt!) voor de WM3, met een verlossende apotheose.