Posts tonen met het label music. Alle posts tonen
Posts tonen met het label music. Alle posts tonen

zaterdag 15 november 2014

Whiplash


Adrenaline starts to flow
You're thrashing all around
Acting like a maniac
Whiplash
(Metallica)
Het beeld is zwart. De stokken komen neer op het vel van de snaredrum. Het ritme begint langzaam maar wordt steeds sneller en eindigt in een razende roffel. Andrew (Miles Teller) is eerstejaars op één van de beste conservatoriums van het land (het verzonnen Shaffer Conservatory Of Music) alwaar dirigent/leraar Fletcher (J.K. Simmons) vaak door de gangen struint en zijn oor te luister legt om talent op te sporen voor zijn orkest, dat meedoet aan wedstrijden. Hij verzoekt Andrew mee te komen spelen. Vanaf dan zijn we getuige van de manier van lesgeven van de gerespecteerde Fletcher die veel weg heeft van de wijze waarop de drill-sergeant uit Full Metal Jacket zijn soldaten opleidt. Met een absoluut gehoor (“Not my fucking tempo”!) en keiharde aanpak boezemt hij angst in bij alle leden van het (geheel mannelijke) Jazz orkest, waarbij het nog erger is dat je niet weet wat je fout deed, dan of je het fout deed.  “That is not your boyfriends dick, do not come early”. Als nieuweling moet Andrew het vooral ontgelden. De harde, mensonterende aanpak heeft echter een doel. Het beste uit iemand halen, zodat je van goed via beter naar één van de beste uit kunt groeien. “Charlie Parker didn't become Bird until Joe Jones threw a cymbal at his head”. Andrew wil één van de beste worden, oefent tot de (drum)vellen van zijn handen vallen, het bloed langs zijn stokken vloeit en laat zich psychisch door de mangel halen. De druk tot presteren die ontstaat is onmenselijk.
Wat een fantastische film is dit. Het had ook kunnen gaan over ballet of één of andere topsport, want het uitgangspunt is hetzelfde, als je tot de top wil horen, moet alles wijken voor je doel en is de weg er naar toe er eentje van afzien, eindeloos oefenen en vooral doorzetten. J.K. Simmons speelt een Oscar-waardige rol als de man die er van overtuigd is dat zijn manier de enige juiste is om ook daadwerkelijk die nieuwe Buddy Rich te vinden, of beter gezegd, om die uit de persoon te halen die hij onderricht. Heel veel mensen (zoals Andrew’s vader) zullen niet begrijpen wat je er voor over moet hebben om dit te bereiken en waarom dit op zijn excentrieke wijze moet gebeuren. De vraag is of er een grens is die je niet moet overschrijden om iemand tot het uiterste van zijn kunnen te krijgen. Een geheel andere vraag die bij me opkomt is hoe je überhaupt nog plezier kunt hebben in het maken van muziek op deze manier?
Er ontstaat een soort strijd tussen leerling en leraar, die beide niet van opgeven willen weten. De film neemt daarbij een interessante wending die zorgt voor een verrassing, maar het blijkt een interlude te zijn voor een meer dan fantastische finale, met een weergaloos kippenvel moment tot slot.

Het nummer dat tot in den treure geoefend moet worden heet Whiplash. Natuurlijk niet dat gelijknamige nummer van Metallica, want zoals een (fictieve?) quote in de film laat zien “if you ain’t got talent, you’ll end up in a rock band”. Daar kan dan heerlijk over worden gediscussieerd, maar één ding maakt me wel duidelijk en dat is wat een Aanmodderfakker ik zelf eigenlijk ben ;-).

donderdag 26 december 2013

Good Vibrations


Net als Répression van de Franse band Trust had ik Inflammable Material van Stiff Little Fingers - een punkband uit Belfast, Noord Ierland - op mijn boekenlijst gezet toen ik op de middelbare school zat. De muziek zit in de film Good Vibrations die gebaseerd is op het levensverhaal van Terri Hooley, die in het briljante beginstuk vertelt hoe hij als kleine jongen zijn oog verloor en van Terry with a ‘y’, Terri with an ‘i’ werd. We gaan ‘fast forward’ door de tijd, die steeds grimmiger wordt, naar 1970. De mensen hebben wel wat anders aan hun hoofd dan muziek en dansen. Het is de tijd van de IRA, de onneembare kloof tussen Katholieken en Protestanten en de vele bomaanslagen. Terri hangt geen geloof aan, heeft vrienden aan beide zijden, mengt zich niet in politiek, maar wil ook niet vluchten, hoewel dat de veiligste optie zou zijn. Terri is een romanticus, een positivo en begint met de hulp van zijn vriendin een platenzaak in Victoria Street (dat bekend stond als ‘bomb alley’) en wil vrede en hoop promoten. De zaak wordt ‘Good Vibrations’ gedoopt, maar de klanten laten wat op zich wachten, al staat er al snel zo’n exemplaar dat er niet meer is weg te slaan en bij het meubilair lijkt te horen.

Pas als Terri in aanraking komt met de plaatselijke ondergrondse punk scene (The Outcasts, Rudi) gaan zijn ogen en oren helemaal open: “these kids, they don’t give a shit”! Het wordt zijn missie om de wereld hun muziek te laten horen en al snel begint hij vanuit de platenzaak ook zijn eigen label en neemt hij bands mee op tournee in een aftandse bus, zonder dat iemand stilstaat bij godsdienstvoorkeur. Zijn enthousiasme werkt en het toppunt wordt bereikt als radiogigant John Peel de door Hooley uitgebrachte single Teenage Kicks van The Undertones maar liefst twee keer achter elkaar draait, iets dat hij nog nooit heeft gedaan. Het is echter niet allemaal rozengeur en manenschijn…

De film is een must voor mensen die warme gevoelens krijgen bij de gedachte aan een ouderwetse platenzaak en “the revolutionary power of the 7 inch single”. Er is een mooi evenwicht tussen de komische, positieve zijde en de trieste kant van het verhaal dat zich tegen de achtergrond van een zeer gewelddadige periode afspeelt. Bij Terri draait alles om de liefde voor de muziek en om die zonder enig winstoogpunt te verspreiden onder de mensheid. Dat die liefde op de eerste plaats komt heeft consequenties voor zijn vrouw/familie, zeker gezien het feit dat er geen cent aan verdiend wordt. Integriteit, idealen, harde realiteit, verantwoordelijkheid en de waarde van dingen.


Good Vibrations is een heerlijke film. De titel zegt het al. Het zal voor velen ook nostalgische gevoelens teweeg brengen, voor de tijden van weleer, die nooit meer terug zullen komen. De harde realiteit van de getallen zorgt er voor dat de vroegere steunpilaren van de muziekindustrie, de platenwinkels, gaan sluiten of via eBay worden aangeboden en dan geen kopers kunnen vinden. Gelukkig zijn er dan dit soort films waar we ons aan kunnen laven.

zaterdag 24 augustus 2013

Can’t Stand Losing You – Surviving The Police


Het is 4 oktober 1983. We (mijn vriendin die nu nog altijd mijn vrouw is, haar nichtje, een vriend en ik) staan met z’n vieren voor het hotel in Rotterdam waar Sting, Stewart en Andy zich bevinden. Op slinkse wijze is mijn vriendin er achter gekomen welk hotel dat is. Gewoon bellen en zeggen dat je van bloemisterij zus en zo bent en een boeket bloemen hebt voor de heer Sumner. Of die inderdaad in het hotel zit. Toen kon dat nog. Na een hotel of drie heeft ze beet. Het Hilton. We staan een tijdje voor de deur te wachten. We zien Ad Visser die een interview gaat doen. Men vraagt ons niet voor de deur te blijven hangen, dat we een seintje krijgen als ze naar beneden komen. We vragen aan Ad of hij handtekeningen wil regelen voor ons en dat belooft hij. Mijn vriendin en haar nichtje hebben iets gemaakt voor Sting en dat willen ze graag aan hem overhandigen. Dat mag niet, maar we mogen wel naar zijn kamer bellen (!). Mijn vriendin krijgt eerst Kim Turner (manager) aan de lijn, die de telefoon vervolgens aan Sting geeft (!), die met een slaperige stem zegt dat hij wakker is gebeld. Ze biedt haar excuses aan en vraagt toch of hij beneden wil komen om een cadeau in ontvangst te nemen. Twee dagen er voor was hij namelijk jarig. Helaas wordt dat hem niet, maar een medewerker van het hotel zegt dat hij het cadeau aan Sting af zal geven. We gaan naar buiten op de stoep zitten, aan de rustige zijkant van het hotel, waar we wachten op wat we hopen dat misschien nog gaat gebeuren: een ontmoeting. Na een tijdje rondhangen zien we plotseling wat beweging achter de gordijnen van het raam van één van de (vele) kamers, precies aan de zijde waar we zitten te wachten. Het is Sting, die het cadeau (een grote zelfgemaakte kaart) voor zijn raam zet en naar ons zwaait. We beginnen ‘happy birthday’ te zingen en zien dat Sting met zijn vingers de maat slaat.  

Het wordt al laat, het concert zal straks beginnen en Ahoy is enige metrohaltes hier vandaan. We moeten niet te laat weg hier, maar we willen eigenlijk wachten op het moment dat het trio het hotel zal verlaten. Het geluk is aan onze kant, want we krijgen te horen dat ze naar beneden komen. Allereerst komt Stewart Copeland op ons aflopen. We zijn een beetje ‘starstruck’ en weten niets te zeggen. Hij loopt ons straal voorbij en stapt in een voorgereden limousine die meteen vertrekt. Enkele minuten later komt Andy Summers de lobby in. In een wanhopige poging om de man een halt toe te roepen vraagt mijn vriend aan Andy: “aren’t you Andy Summers?”, waarop hij (zeer gevat en grappig, al vonden we dat op dat moment niet) antwoordt: “no, I just look like him”, langs ons heen loopt, ons verder negeert en in de volgende limo stapt die ook weg rijdt. Hebben we daarvoor al die tijd staan wachten? Maar goed, het gaat de meiden voornamelijk om Sting en wanneer die als laatste de lift uitkomt zorgen we er voor dat hij er ongeveer niet door kan. Hij blijkt iets vriendelijker, bedankt voor het cadeau en zet één handtekening, waarna ook hij in een aparte limo stapt en richting Ahoy wordt gereden. Mijn vriendin heeft het niet meer en zegt de historische woorden: “ik heb hem aangeraakt”.

We rennen naar de metro om zo snel mogelijk bij Ahoy te geraken. Als we de zaal inlopen zien we dat de immense zaal al helemaal vol is. We ‘lopen op de maan’ en voelen ons sterren die zelf op komen treden als we langs iedereen naar voren lopen en onze zitplaatsen opzoeken. We zien wat bekenden van school en roepen ze een jaloersmakend “we hebben ze ontmoet” toe en lopen nog verder naar voren om uiteindelijk vlak voor het podium op de derde rij plaats te kunnen nemen. We zijn gearriveerd, het concert mag gaan beginnen…

Vier blaagjes waren we, met een schaamteloze fan-ervaring op zak.

In de documentaire Can’t Stand Losing You maakt Andy Summers op een gegeven moment duidelijk hoe hij zich tijdens die periode voelde: “We speed away from shows in three seperate limo’s. It’s either take off instantly or be trapped in the building for several hours. It’s a peculiar anti-climax to go within minutes from a burning stage with crazed auditorium to the solitude and roaring silence of your pastel papered hotel room. (…) I’m very specific about my needs: I don’t ever wanna see a freeway let alone hear it. No male fans within a ten mile radius, ever. Leave me the fuck alone until gig time. (…) I’m a rock ‘n’ roll asshole, emaciated millionaire prick and fuck everything”.

Dat was geen ‘happy place’ waar hij zat en het verklaart zijn houding betreffende onze ontmoeting. Hoe het zo ver is gekomen vertelt Andy in de documentaire die gebaseerd is op zijn boek One Train Later. Het is een soort beknopte samenvatting in beeld en geluid. Je hoort zijn stem letterlijk (de soms wat hoogdravende) teksten uit zijn boek oplezen. Een kort overzicht van zijn jeugd, de bands waarin hij heeft gespeeld vóór The Police, de ontmoeting met Sting en Stewart en een droom die uitkomt en een nachtmerrie wordt. Je vraagt je af hoe ze het überhaupt nog vijf albums lang hebben uitgehouden met elkaar. Aan het einde lijkt het op naar je werk gaan waar je geen zin in hebt, met collega’s die je niet uit kan staan. Maar het betaalt zo goed.
Het portret is niet bijzonder indringend, maar het geeft een verhelderende blik op de ontwikkeling van deze wereldband, die zeer snel tot grootse hoogte kwam door de drie grote ego’s, maar er net zo snel aan ten onder ging. De hele periode duurde maar een jaar of zeven.

Net als in het boek worden beelden van vroeger gelardeerd met beelden van hun reünie-tour uit 2007 en voelen de bespiegelingen die Summers over ons uitstort als van een wijs geworden opa, die toch nog één keer het positieve gevoel van vroeger wil terughalen met de band die zijn leven heeft getekend. Ik hoop dat dit voor hem is gelukt. Of dat hij op zijn minst zijn pensioengat heeft kunnen dichten. Voor mij liep die herbeleving helaas uit op een teleurstelling.


Het mooiste fragment van de documentaire is als (de oude) Andy door de kleine straatjes van een Japanse wijk loopt, foto’s maakt en opeens een karaoke versie van Every Breath You Take uit een bar hoort komen. Hij gaat de piepkleine kroeg binnen, gaat naast de man staan die met het nummer meezingt en zingt vervolgens met hem mee zonder dat iemand hem herkent. Pas als het nummer is afgelopen, trekt Andy zijn muts van zijn hoofd en wordt hij herkent door de aanwezigen die hun ogen niet kunnen geloven. Een magisch momentje voor iedereen, de kijker inbegrepen.

donderdag 28 maart 2013

A Late Quartet



1e viool, 2e viool, viola en cello. Het vermaarde Fugue String Quartet uit New York bestaat al 25 jaar en heeft ruim 3000 concerten gegeven. Het nieuws dat cellist Peter Mitchell (Christopher Walken) een vroeg stadium van Parkinson’s heeft en er mee op wil houden slaat in als een bom en brengt het delicate evenwicht van het kwartet aan het wankelen.

De film is in heerlijk Adagio, om in muziektermen te blijven. Uiterst rustig en behoedzaam komen de ontwikkelingen op gang, aangezwengeld door het besluit. Peter wil nog één afscheidsconcert spelen maar heeft ook al een vervanging op het oog. Viola speelster Juliette Gelbart (Catherine Keener) is een gevoelsmens die zich afvraagt of Peter misschien toch niet door wil gaan en denkt zelf te stoppen omdat ze hem zal missen en het Quartet nooit meer hetzelfde zal zijn. 1e Violist Daniel Lerner (Mark Ivanir) komt berekender over, leeft (alleen) voor de muziek en onderschrijft wat Peter zelf verwoord: “no compromises, quality above all”, een motto dat ze sinds hun jonge jaren nastreven. 2e Violist Robert Gelbart (Philip Seymour Hoffman) voelt dat het tijd is om de posities in de groep te herzien, omdat hij niet langer alleen maar 2e viool wil spelen.

Het is iets zeer herkenbaars. Een punt in je leven waarop alles wat je als vanzelfsprekend aannam, ontwricht wordt, waardoor de dingen in een ander daglicht komen, waardoor je weer vragen gaat stellen, waardoor je terug kijkt op het verleden en vooruit moet kijken naar de toekomst. Het is het punt waarop zaken op scherp worden gezet, iedereen uit zijn comfort zone komt, harde waarheden naar voren komen, ego’s worden gekrenkt, relaties onder druk komen, beslissingen moeten worden genomen. De perfecte eenheid gaat dissonanten vertonen. Maar was die eenheid wel zo perfect?

Het is een mooie vondst om dit gegeven aan het Quartet op te hangen. De instrumenten weerspiegelen de persoonlijkheden van de karakters. Karakters die allemaal hun hart en ziel hebben verpand aan de muziek. Er (bijna) alles voor doen, omdat ze zo veel op hebben moeten geven om überhaupt zo goed te worden, zo ver te komen. Dat geef je niet zomaar op.

Laat het maar aan acteergrootheden als Hoffman, Keener en zeker Walken over om er iets moois van te maken, want wat is Walken goed en wat is het fijn om hem weer eens in een serieuze rol te zien. Er is weinig op de film aan te merken, of het moet zijn dat het wat simpel is dat als Robert Daniel kwalijk neemt dat hij bij het spelen altijd zo rigide vasthoudt aan de aantekeningen op de partituur en aanbeveelt zijn passie los te laten, Daniel zich in de volgende scène op Robert’s mooie dochter stort. Het is de film vergeven, want het genieten van het spel van de acteurs staat buiten kijf.

Zelf heb ik niet veel met klassieke muziek. Hier en daar vind ik wat stukken mooi, maar ik heb er niets van in mijn verzameling en zet het zelf dus ook nooit op. Toch heb ik een prachtige ervaring die ik nooit zal vergeten. Een aantal jaren geleden bezocht ik een vriend in New York. Hij deelt het appartement met een violiste. En niet zomaar eentje. Al vroeg won ze prijzen, ze was student en assistent leraar aan de befaamde Juilliard School, was concertmeester van het Juilliard Symphony, speelt over de gehele wereld solo of in een kamerorkest en ze woont dus in een met twee personen gedeelde flat drie hoog achter. Het laat meteen zien - wat ik verderop ook aan geef - dat het instrument en de muziek je ziel en zaligheid moeten zijn. Ik maakte dus kennis met deze dame en wist haar zover te krijgen wat voor mij en mijn vriend te spelen. Ze speelde iets van Bach (omdat ik aangaf dat ik daar het meeste bij voelde) en een modern stuk (Anthèmes van Pièrre Boulez). Ze stond daar voor me, op nog geen meter afstand, in haar slobberige huiskleding met twee verschillende sokken en ik was diep onder de indruk. Zo dichtbij zie je elke beweging, hoor je elke ademhaling, voel je echt de muziek door je heen gaan. Opvallend was dat hoewel ik er niets vanaf weet, ik vond dat ze het moderne stuk met meer passie speelde en ik kon zelfs aanwijzen welk stuk ik het mooiste over vond komen, wat ze bevestigde als zijnde haar favoriete deel. Het was een unieke ervaring en ik voel me vereerd dat ik dit op deze manier mee heb mogen maken, maar ik zet nog altijd geen klassiek op.

zondag 17 februari 2013

Jason Becker: Not Dead Yet



Ik: “Interesse?” (met link naar Jason Becker: Not Dead Yet)
Hij: “Totaal niet eigenlijk. Jij?”
Ik: “Jawel. Ga hem binnenkort eens bekijken... Schijnt een goede docu te zijn”.
Hij: “Oh het zal vast goed zijn. Maar ik vrees toch dat het weer een kwestie van talking heads die beschrijven hoe briljant en uniek hij in zijn jeugd was, misschien wel de beste muzikant ooit, gevolgd door de dramatische sectie over zijn ziekte, oh groot onrecht en verlies van talent, om af te sluiten met hoe zijn liefde voor muziek hem heeft doen overleven en overwinnen als een fenix, bijgestaan door de liefde van zijn ouders. Laatste statement in de docu: hij is dankzij zijn ziekte een veel beter componist en muzikant geworden dan dat ie gezond ooit geweest zou zijn! Dat is wat ik denk dat het is. Maar duw mijn neus vooral diep in hoever ik er naast zit!”

Nou, dat ga ik niet doen, want natuurlijk zit hij er niet veel naast. Hij is een vriend die net als ik zijn muzikale wortels in de jaren tachtig heeft zitten en dan specifieker in de Heavy Metal.

Voor wie niet weet wie Jason Becker is: een technisch virtuoze gitarist die in de jaren tachtig op zeer jonge leeftijd furore maakte in de band Cacophony (met Marty Friedman) en daarna op twintig jarige leeftijd werd gevraagd door David Lee Roth om in diens band te komen als opvolger van Steve Vai. Het album dat hij met David heeft gemaakt heet A Little Ain’t Enough en al tijdens die opnames werd duidelijk dat Jason de ziekte ALS (Amyotrofe Laterale Sclerose oftewel Lou Gehrig's Disease) had en deze progressieve ziekte weet binnen afzienbare tijd zijn zenuwen te vernielen waardoor hij totaal verlamd raakt en snel zal sterven.
Maar…, hij is nog niet dood. Voornamelijk door de goede zorg van ouders en (voormalig) verloofde, die hem met goede voeding van een bijna lijk weten om te toveren tot een normaal uitziende man, die met behulp van een speciaal voor hem uitgevonden manier van gebarentaal - waarbij hij alleen zijn ogen gebruikt - weer kan spreken en zelfs muziek kan maken.

Ik: “Soms kan het heerlijk zijn als verwachtingen uit komen, toch?”

Dus het is best heftig als je via diverse sprekende hoofden (familie, vrienden, muzikanten) hoort wat de jonge man is overkomen. Maar vooral het tweede deel is interessant. Hierin wordt duidelijk hoe hij de muzikale symfonieën die hij in zijn hoofd hoort weet om te zetten naar hoorbare muziek. Als je weet hoeveel noten per minuut hij gemiddeld speelde, moet het niet gemakkelijk zijn om dit proces te vertragen, zodat je noot voor noot kunt aangeven wat het moet zijn. Het doet denken aan de prachtige film The Diving Bell And The Butterfly, waarin de verlamde Bauby een heel boek weet te schrijven. Het doet denken aan de fantastische film Amadeus, waarin de componist op zijn sterfbed noot voor noot zijn Requiem uitspelt aan Salieri. Maar dat waren (hoogstaande) gedramatiseerde verfilmingen en dit is een documentaire, die zeer zeker weet te boeien, maar niet excelleert, zoals Becker dat ooit zelf deed.  

Voor de volledigheid wil ik nog even zeggen dat ik de muziek van Jason Becker in mijn Metal verleden wel heb leren kennen, maar er nooit echt een fan van ben geweest. De technische virtuositeit werd mijns inziens nooit omgezet in een herkenbaar eigen geluid of memorabele muziek. Iets wat ik bij Eddie Van Halen en Yngwie Malmsteen bijvoorbeeld wel vond.

Conclusie? Het enige waarop mijn vriend er naast zit, is dat deze documentaire gespeend is van melodrama en er zeker niet wordt gezegd dat hij nu een betere muzikant is dan hij toen was. Duidelijk is wel dat de lijdensweg van Becker pas nu en dankzij deze film goed tot mij is doorgedrongen.