vrijdag 28 oktober 2011

Svinalängorna (Beyond)




Als engeltjes in het wit met lichtjes op hun hoofden komen Leena’s dochters al Sankta Lucia zingend haar slaapkamer binnen. Het is het Zweedse lichtjesfeest. De telefoon gaat. Het is haar moeder die ze subiet wegdrukt. Het geeft direct de kennelijk moeizame, of zelfs non-verhouding aan tussen die twee. Het gaat niet goed met haar moeder, die in het ziekenhuis is opgenomen. Leena moet terugdenken aan haar jeugd, aan haar aan alcohol verslaafde ouders die niet in staat bleken een goede opvoeding te bieden. Het heeft zijn impact gehad, want haar eigen kinderen weten niet eens van het bestaan van hun mormor (moeder van hun moeder). Op aandringen van haar man onderneemt ze met hem en de kinderen toch de lange reis naar het ziekenhuis waar haar moeder op sterven ligt. Onderweg borrelen er steeds meer herinneringen op.

De kleine Leena hield lijstjes bij van woorden en hun betekenis. Zoals ‘angst’, de vrees dat er iets ergs gaat gebeuren. En dat is precies waar je op zit te wachten, wat je met het kleine meisje mee vreest, wat voor ergs er staat te gebeuren. Het gaat namelijk goed, zolang er geen alcohol in het spel is. Maar als het fout gaat, dan verandert het ouderlijk huis in een hel, waar geweld en verwaarlozing de orde van de dag zijn. Waarin de kleine Leena niet alleen de verantwoordelijkheid moet nemen voor de zorg voor haar kleine broertje, maar ook voor haar eigen ouders, die tot niets meer in staat zijn.

De confrontatie met haar moeder in het heden en de opbouw naar de onvermijdelijke tragiek uit het verleden doet je snakken naar lucht. Het moeten leven in een constante sfeer van angst en geweld wordt pijnlijk voelbaar gemaakt via de kleine Leena, die te jong is om er iets aan te kunnen doen, maar oud genoeg is om alles te voelen en beseffen. Haar gevoel voor verantwoordelijkheid is enorm, maar nooit waar te maken. De film kent overeenkomsten met Submarino, maar legt de nadruk op de oorzaak (in het verleden) in plaats van de gevolgen (in het heden, zoals dat bij de geweldige film van Thomas Vinterberg het geval was).

Dit is de eerste lange speelfilm van Pernilla August. Bekend geworden als actrice in Fanny Och Alexander van Ingmar Bergman heeft ze na vele rollen kennelijk genoeg ervaring opgedaan om nu een heel behoorlijk visitekaartje af te geven als regisseur. De hoofdrol is weggelegd voor Noomi Rapace die wederom voortreffelijk speelt en die je zelfs doet vergeten dat ze Lisbeth Salander (Millennium) ‘is’. Maar zeker ook maakt haar kleine versie in de vorm van Tehilla Blad enorme indruk. Grappig detail is dat deze veelbelovende jonge actrice ook al de kinderversie van Noomi Rapace vertolkte in de Millennium films, dat haar echte broertje en zus ook meespelen en dat Rapace’s echte man Ola de rol van haar man Johan in deze film speelt. Een waar familiegebeuren.    

woensdag 26 oktober 2011

Sarah Blasko - Paradiso Amsterdam, 25 oktober 2011




Sarah Blasko? Daar had ik nog nooit van gehoord toen ik haar naam tegen kwam, iets over haar las en zag dat haar concert op 26 oktober in Paradiso al was uitverkocht. Dat moet dan wel wat zijn, dacht ik bij mezelf. Ik ben gaan luisteren en zeker haar cd As Day Follows Night weet me te raken. Heb ik even geluk dat er een extra concert is ingelast…

Als we naar de poptempel lopen staan de mensen rijendik te wachten voor de deur. Over een kwartier begint het concert al. We staan in de regen en grappen er over dat we het niet eens zo erg zouden vinden als we de kaartjes aan iemand kunnen verkopen om dan lekker naar huis te gaan. Er is echter niemand die er uit ziet op zoek te zijn, dus gaan we naar binnen, leveren de natte jassen en plu in en lopen de trappen op naar het kleine bovenzaaltje. De meeste deuren zijn gesloten. Als ik er eentje open trek om naar binnen te gaan zie ik dat er al iemand aan spelen is. Wat we ook zien, is dat de zaal vol staat met stoelen! Dat heb ik hier slechts één keer eerder meegemaakt, met David Sylvian in de grote zaal. Deze zaal is slechts half gevuld, terwijl het concert op uitverkocht staat. Misschien zijn er toch wat slimmeriken die een kaartje hebben gekocht voor Sarah, om het concert van Steve Wilson (bekend van Porcupine Tree) mee te maken, want een volledig gevulde zaal wordt het uiteindelijk niet.

Op het podium staat Fred Kinborn. Dit mysterie (Google levert niets op aan informatie dan dat hij het voorprogramma doet voor Sarah) lijkt wel Zweeds (!?) te zingen, waarbij hij zichzelf begeleidt met een apart snaarinstrument op zijn schoot. We mogen nog slechts twee nummers meemaken die wel in het Engels worden gezongen, met zijn diepe, wat monotone stem. Bij het laatste nummer speelt Matt Gest mee op accordeon, het is de man die straks de toetsen bespeelt bij Sarah. Het is moeilijk om een goede indruk op te doen als je slechts drie songs hoort, maar de ingetogen mooie liedjes maken me nieuwsgierig naar deze man, waar dus niets over is te vinden.

Kort na dit optreden komen Sarah, Matt en Ben Fletcher (gitaar) het podium op. De akoestische setting moeten we met een korrel zout nemen, want alles is versterkt en er worden keyboards en elektrische gitaren gebruikt, maar laat dat dan het enige kniesoor moment zijn dat ik naar voren breng, want het gaat een betoverende avond worden.

Het met slechts enkele spotjes verlichte podium kent zijn felste lichtjes in de met slingerlampjes versierde microfoonstandaards van de drie artiesten. Het eerste nummer Bring Me Back bevestigt meteen de toon van deze intieme avond. De mooie, breekbare, ietwat hese maar ook zo krachtige stem van Sarah is op zich al de moeite meer dan waard. Maar ook haar songs zijn van grote klasse en de manier waarop ze vanavond, gestript maar des te intenser worden vertolkt laat er geen twijfel meer over bestaan: ik ben fan! Gekluisterd aan mijn stoel, waarvan de kraak af en toe te horen is, besef ik me pas na een kwartier dat ik de oordoppen die ik in mijn broekzak heb zitten totaal niet nodig heb. Wat een weelde om dit zo te horen, om te horen dat elke noot er toe doet, niet ten onder gaat in een brij. Het doet me denken aan concerten die ik heb gezien van Ben Christophers en Patrick Watson, allebei ook in deze zaal. Het werk van die laatste komt soms dicht in de buurt, zoals in Hold On My Heart, waar Patrtick een zingende zaag in zou zetten, maar Sarah gewoon haar stem gebruikt.

Er komen gelukkig veel nummers voorbij van As Day Follows Night, en ook nog eens de beste daarvan, zoals Is My Baby Yours, Sleeper Awake en We Won’t Run. Bij het derde nummer vanavond, Bird On A Wire gaat het even mis. Midden in het nummer is de gitaar van Ben ontstemd. De band stopt, de gitaar wordt op toon gebracht, excuses volgen en ze pikken het op bij het tweede vers. Na afloop zegt Sarah dat het ijs in ieder geval wel gebroken is nu.  

Het hele concert is in balans. Nummers worden voorzien van rustige pianoklanken en gitaren die tokkelend (met nagels) worden bespeeld. Zo nu en dan pakt Ben zijn elektrische gitaar en weet door het gebruik van een plectrum een wat voller, onheilspellend geluid voort te brengen, dat echter nergens overvol raakt. Sarah zegt af en toe iets - de introductie van een song, of een opmerking naar het publiek (“het lijkt wel een kerkdienst in deze setting”), of tot tweemaal het verzoek om de lichten nòg meer te doven voor de juiste sfeer - maar laat toch voornamelijk de muziek spreken. In boekdelen…

Er is ook ruimte voor nieuw materiaal, zoals een song geschreven met Fred Kinborn, die haar daarvoor komt begeleiden op een miniatuur uitgave van een akoestische gitaar. En wat is dat een prachtig nummer! Ook de toegift is een nieuw nummer, An Oyster, A Pearl, waarin Sarah zichzelf begeleidt op de piano. Indrukwekkend, alweer. Dan volgt Xanadu, een cover van het nummer van haar landgenote (Australië) Olivia Newton-John. Het is het nummer dat op de bonus disk Cinema Songs van As Day Follows Night staat en nu ook als aparte EP te verkrijgen is. Daarna worden we nog getrakteerd op het dwingende ritme van No Turning Back, dat het einde van deze avond inluidt.

Anderhalf uur verder en ik had zeker nog langer willen genieten van dit fantastische optreden, dat vanwege de “curfew” (van Paradiso), zoals Sarah het benoemt, niet langer mocht duren. Sarah komt zelf nog een praatje maken en haar cd’s verkopen. Ik kan het niet laten om haar te zeggen dat het “totally wonderful” was en prijs me gelukkig dat ik de kaartjes voor dit concert niet voor de deur heb verkocht!

maandag 24 oktober 2011

Hesher




Verdriet kan zich op vele manieren uiten. Als zijn vrouw door een auto ongeluk om het leven is gekomen kan Paul niet langer de kracht vinden om ook maar iets te doen. Lusteloosheid maakt zich van hem meester. Zijn tienerzoon wordt juist gedreven door dadendrang, namelijk proberen het autowrak te bemachtigen. Een dubieuze herinnering, maar eentje die tastbaar is en hem nu wordt ontnomen. Grootmoeder is in de winterdagen van haar leven en moet lijdzaam toezien hoe de twee vastzitten, niet verder komen met hun leven.

Bij toeval komt zoon T.J. ongewild in contact met Hesher, een dakloze metalhead (zie Metallica font van de naam!), die in eerste instantie op afstand hilarisch gewaagde grappen uithaalt ten koste van T.J. en even later zelfs ongevraagd het huis van het gezin intrekt en zich voordoet als een vriend van de zoon. T.J. is overrompelt alsook enigszins gefascineerd door de lomperik die in zijn blote bast op de bank zit en grove moppen vertelt, Paul is te verdrietig en onverschillig om vragen te stellen en grootmoeder lijkt ingenomen met de afleiding, hoe vreemd die ook moge zijn. Het is een even absurde als hilarische situatie, maar daar blijft het niet bij. De onbehouwen en lichtelijk geschifte Hesher zorgt er voor dat het gezin wordt wakker geschud, op de meest onconventionele manier mogelijk.

De film kent een zeer apart ensemble aan acteurs (Rainn Wilson, Piper Laurie, Natalie Portman en indrukwekkende nieuwkomer Devin Brochu) waarbij Hesher fantastisch wordt gespeeld door Joseph Gordon-Levitt, die best wel iets weg heeft van Heath Ledger. Ik ga nog verder. Hesher heeft wel iets van The Joker. Chaos regeert. Grote verschil is dat het in deze film een doel heeft, waar de therapie van de rouwverwerkingsgroep niet tegenop kan.

Maar het is niet alleen lachen; verdriet en compassie zijn ook zeer voelbaar, want de pijnlijke grollen worden naarmate de film vordert ingehaald door de pijnlijke ernst van de gevolgen, voor zowel Hesher als iedereen waar hij mee om gaat.

“Life is like walking in the rain”, zegt grootmoeder. “You can hide and take cover, or you can get wet”. Een niet al te verrassende boodschap die de film mooi samenvat, maar wat is het ontzettend origineel en aanstekelijk verpakt.

dinsdag 18 oktober 2011

Drive



“If I drive for you, you give me a time and a place. I give you a five-minute window, anything happens in that five minutes and I’m yours no matter what. I don’t sit in while you’re running it down; I don’t Carry a gun… I drive.” Woorden uit de mond van de mysterieuze man, de ingehuurde bestuurder van een vluchtauto voor overvallers, die hij met militaire precisie bestuurd en zo weet te ontkomen aan de politie die op zijn hielen zit. Het is een bijverdienste naast zijn werk als stuntcoureur in Hollywood films.

Dit is L.A. Dit riekt naar Michael Mann. Die gaf in het weergaloze Heat via crimineel Neil McCauley ook al een timeframe aan (“Don;t let yourself get attached to anything you are not willing to walk out on in 30 seconds flat if you feel the heat around the corner.”), baseerde de overvallen op eenzelfde soort militaire precisie en liet ons een aparte nachtelijke sfeer vanuit de auto zien, die we hier ook voorgeschoteld krijgen. Niets is minder waar, want het is Nicolas Winding Refn die hier de regisseursscepter zwaait. De van origine Deense regisseur deed van zich spreken door films als Bleeder en Pusher en had in zijn laatste twee films (Bronson en Valhalla Rising) ook al stoere mannen met gewelddadige inslag als uitgangspunt. Ook al, zeg ik, want dat is nu niet anders. Het knappe is echter dat hij het steeds weer weet te gieten in een geheel andere vorm, met geweldige acteurs, die ondanks het feit dat ze extreem gewelddadige personages moeten vertolken, je toch weten te boeien en zelfs te ontroeren.

Dit keer speelt Ryan Gosling de coureur, die gevoelens krijgt voor zijn buurvrouw (en haar zoontje), wiens man tegen wil en dank terug in het criminele circuit wordt getrokken. De coureur biedt zijn hulp aan om de schuld te vereffenen, maar dit loopt niet zoals gepland en de schuldenaren zijn onplezierige types die niet op een lijk meer of minder kijken. Wat met goede bedoelingen begon kan niet anders dan slecht aflopen. Het nastreven van een nobel doel is niet zonder gevolgen.

Refn is geen man van grappen en grollen. De pure ernst geeft de film extra gewicht, waarin de gedoseerde momenten van geweld nog eens extra hard aankomen. Extreem geweld. Het letterlijk tot pulp slaan van iemands hoofd doet denken aan de brute scène met brandblusser in Irréversible.  Refn zoekt omgevingen in zijn films waar geweld de enige taal is die gesproken kan worden. Dit doet hij in tegenstelling tot bijvoorbeeld Tarantino, zonder het hip of cool te maken. Dit is keihard en nietsontziend. Refn ziet de ‘held’ als een mythisch figuur, een superheld. Het is een reddende engel, maar wel eentje die keihard van leer trekt. Je kunt je afvragen of dat geen contradictio in terminis is…

Afgezien van of misschien juist mede dankzij deze ethische vragen is dit een geweldige film, geweldig gefilmd, gewelddadig met een mooie (retro)sfeer ondersteund door een te gekke score (A real human being and a real hero) die op vreemde wijze past als gegoten.  

La Piel Que Habito




De nieuwe film van Pedro Almodóvar. Voor velen een reden om naar de bioscoop te rennen. Dat geldt niet voor mij,maar ik sta open voor wat er gaat komen.

Het begint interessant, met de briljante plastisch chirurg Robert Ledgard (Antonio Banderas) die op zoek is naar de ultieme huid om mensen met brandwonden te helpen. Huid die misschien wel beter is dan de natuurlijke menselijke huid, die weerbaarder is, niet aangetast wordt als die met vuur in aanraking komt. Hij werkt vanuit een privé ruimte waar hij slechts één patiënt heeft, die bijna volledig genezen is. Maar er rijzen onmiddellijk vragen. Waarom zit deze patiënt opgesloten? Wat is zijn obsessie met haar? Waarom schijnt ze te lijken op zijn overleden vrouw?

Dit is wel Almodóvar, dus een mate van hysterie en absurditeiten die er niet altijd toe doen komen al gauw om de hoek kijken. Iets waar ik geen fan van ben. Het zijn namelijk zaken die afleiden van de kern van het verhaal dat op zich al bizar genoeg is. Als je überhaupt al mee wilt gaan met de uiteindelijke clou, die ook nog een soort omgekeerd Stockholmsyndroom is. Daarbij is het acteerwerk afstandelijk, klinisch haast en toont Almodóvar een vreemd soort obsessie met verkrachting (net als in Hable Con Ella) onder aparte omstandigheden.

Ik denk dat ik een enorme fan van deze film had kunnen zijn als hetzelfde onderwerp verfilmd was door laten we zeggen David Cronenberg. Die had zich waarschijnlijk wat meer in het ‘vlees’ verdiept en had de ongemakkelijkheid van het onderwerp een stuk akeliger uitgewerkt.

Geen slechte film hoor, maar niet mijn kopje thee. 

We Need To Talk About Kevin




Dit is de meest arthouse film deze avond. Zowel het onderwerp als de manier waarop het is verfilmd. Een taboe, iets waar we het niet over hebben. Wat als een moeder niet echt van haar kind kan houden?  Op de huid gefilmd. Met sprongen in de tijd, die het naderende, of juist voorbije onheil moeten duiden. En vooral veel rood. Overal rood. Als unheimische markeringen.

Eva (Tilda Swinton) en Franklin (John C. Reilly) hebben een zoon Kevin (Ezra Miller). Er ontbreekt iets tussen moeder en zoon. Iets dat vader niet ziet en moeder niet genoeg onderkent. Kevin ontpopt zich tot een zeer intelligent, maar gestoord individu, die als een soort wolf in schaapskleren iedereen voor de gek houdt. Behalve zijn moeder, bij wie hij de schaapsvacht afwerpt om haar op tergende wijze het bloed onder de nagels vandaan te halen. Zijn hele leven is een opbouw naar de uiteindelijke daad van ultiem afgrijzen, waarin zijn ware aard voor iedereen duidelijk zal worden. Maar het is via Eva dat we dit proces beleven, wat het met haar doet, ook na de daad. Tilda Swinton laat deze fragiele en onzekere vrouw op fenomenale wijze zien, waarbij vele toeschouwers zullen roepen om doortastende actie en niet inzien dat ze vanaf dag één een verloren wedstrijd speelt.

We Need To Talk About Kevin. Ze probeert het. Maar gehoord wordt ze niet. Want haar pogingen zijn niet dwingend genoeg en haar man heeft oogkleppen op die worden versterkt door het goede en schijnbaar normale gedrag dat Kevin naar hèm toe wel vertoont. Maar hoe moeilijk moet het ook zijn, om je eigen kind af te vallen.

Het dilemma en de onvermijdelijke uitkomst worden erg indrukwekkend neergezet. Je krijgt een bloedhekel aan Kevin maar stelt jezelf ook de vraag wie er nu in hemelsnaam schuldig is. De vinger valt niet slechts in één richting te wijzen. Je krijgt toch ook een soort bewondering voor Eva, die alle ellende op haar schouders draagt, jaren lang. Zo sterk als ze is om dat te kunnen, mist ze de kracht om er daadwerkelijk iets aan te doen.

Dit is zo’n film die onder je huid gaat zitten en waar je nog heel lang over na kunt praten en denken. Het enige minpuntje dat ik kan bedenken is dat het iets korter had gemogen. Er zijn veel scènes opgebouwd rond Kevin en Eva, om te laten zien wat voor iets akeligs hij nu weer doet of heeft bedacht. Op een gegeven moment is dat wel duidelijk, en hoe goed ook gespeeld, met een paar voorbeelden minder was de gedachte over dit enige minpunt niet bij me opgekomen.

The Ides Of March




Met twee films waarin hij vanavond meespeelt is het toch ook een beetje Ryan Gosling avond. De man die een gezicht heeft dat bijna uitdrukkingsloos ontzettend veel emotie verbergt. Een pokerface die verdraait heftig uit de hoek kan komen. In The Ides Of March speelt hij een persvoorlichter die samen met de campagneleider de weg naar het presidentschap uitstippelt voor de democratische gouverneur Morris. Ik had van tevoren alleen gezien dat Gosling en Clooney (als Morris) meespelen. Maar als de gouverneur een gesprek heeft gehouden met zijn democratische tegenstander, zien we in de coulissen niet alleen Philip Seymour Hoffman in de rol van de campagneleider van Morris, maar ook Paul Giamatti in dezelfde rol, maar dan van de tegenstander. Dit belooft ouderwets genieten van een aantal acteerkanonnen.

Het gaat er natuurlijk om dat Morris de democratische presidentskandidaat wordt. Wat we zien is het hele spel er omheen. Het spel kent vele spelers, die er allemaal op hun eigen wijze toe doen, of toe willen doen. Het is van groot belang dat hierin geen misstappen worden gedaan. Dat kan het einde van je politieke carrière inhouden. Dit spel wordt uiterst intrigerend en serieus gespeeld. Daarbij vallen er gewonden. Sommigen likken die wonden en gaan door waar ze mee bezig waren, anderen kiezen (gedwongen) eieren voor hun geld, weer anderen gaan er aan ten onder. Het liegen en bedriegen is er orde van de dag en staat allemaal in dienst van het hogere plan dat zoveel waard moet blijken: de politieke boodschap, de beloftes gedaan door de kandidaat.

Ambitie en macht, daar komt het echter op neer. Je macht misbruiken om je ambities te vervullen. Net even slimmer zijn dan die ander, met alle gevolgen van dien. Een naar spel van testosteron dat ik nooit zou willen spelen, maar dat in dit geval een lust is om naar te kijken. Want je gaat mee in de beleving van het spel, waarbij Gosling zijn mannetje zeker staat tussen de grote acteursnamen. En hij moet wel, want hij is ons gezichtspunt, ons referentiekader, degene waar we ons mee moeten identificeren. Hij maakt er een menselijke en invoelbare rol van, waardoor je begrijpt wat hij doet, zelfs als je er zelf verre van zou blijven.

Dat niemand zonder vuile handen achter blijft is even logisch als weerzinwekkend.