woensdag 20 februari 2013

Whispering, Indistinct: The Words We Never Hear…



Een belangrijk moment in de film, waarin persoon A iets tegen persoon B zegt, zodanig dat het film kijkende publiek niet hoort wat er gezegd wordt.

Ik liep er pas weer tegenaan toen ik de film Silver Linings Playbook zag. Daarin loopt Pat (Bradley Cooper) op Nikki (Brea Bea) af en we zullen nooit weten wat zijn laatste woorden tegen haar zijn.

Eén van de meest besproken scènes is natuurlijk die in Lost In Translation, waar Bob (Bill Murray) in een drukke straat in Tokio waarschijnlijk geruststellende woorden in het oor fluistert van Charlotte (Scarlett Johansson).

Een paar jaar later deed Paul Thomas Anderson iets soortgelijks in There Will Be Blood door Daniel Plainview (Daniel Day-Lewis) na zijn ‘biecht’ in een kerk, iets tegen Eli Sunday (Paul Dano) te laten zeggen dat we niet horen of zien, omdat hij met zijn rug naar ons toe staat. Het kan ook nog zijn dat Anderson er niets mee te maken had en dat dit een ingeving van Day-Lewis was. Als je goed kijkt, lijkt het alsof Dano een lach moet onderdrukken.

Er zijn nog wel meer films waar zoiets in voorkomt en ik ga er vanaf nu melding van maken als ik het weer eens tegen kom.

Heb je zelf een goed voorbeeld? Laat het me weten! 

Turn Me On, Dammit! (Få Meg På, For Faen)



Alma is vijftien jaar en woont in het gehucht Skoddeheimen in Noorwegen. Ze is verveeld door de eindeloze bergen, de lege wegen, het feit dat er niets gebeurd in haar leven terwijl de hormonen door haar lijf gieren. Haar seksuele maar ook romantische fantasieën slaan op hol en de enige actie komt van haar rechterhand. Samen met vriendinnen drinkt ze stiekem bier in het lege bushokje dat zijn echte nut waarschijnlijk slechts twee keer per dag kan vervullen. Zelfs op de sporadische feestjes gebeurt weinig, tot de jongen waar ze een oogje op heeft een rare actie doet en juist Alma door dit voorval  een outcast wordt, waardoor haar isolement alleen nog maar wordt vergroot en ze steeds meer opstandig puberaal gedrag gaat vertonen. Een vlucht lijkt de enige uitweg.

Het is een lieve, kleine, niet al te bijzondere film over tieners en hun emoties, waarvan ze nog niet precies weten wat ze er mee aan moeten. Het bekende proces van vallen en opstaan, maar vooral niet zwaarmoedig.

Een sympathieke film dus, maar wel eentje die te lang in dezelfde groef blijft hangen. Het doet denken aan een simplistische, wat plattere versie van het veel meer zeggende Fucking Åmål.

dinsdag 19 februari 2013

Biffy Clyro - Melkweg MAX Amsterdam, 18 februari 2013



De dag dat Biffy speelt…

…sta ik om 12:58 voor een dichte deur van een winkel in Amsterdam West, waar ik speciaal naar toe ben gegaan om iets te regelen. Geopend van dinsdag t/m zaterdag lees ik op de deur. Waarom is de zaak dan dicht? Op dinsdag moet die open zijn. Misschien is er iets gebeurd? Pas tien minuten later op weg naar het centrum besef ik me dat het maandag is.

…wandel ik anderhalf uur door de Amsterdam.

…begint om 14:40 de film Lincoln, tien minuten te laat. Een gortdroge film met een Oscar waardige prestatie van Daniel Day-Lewis.

…eet ik een heerlijke maaltijd bij Flo. Vooraf een ‘salade de magret de canard fumé, rillettes de canard, saucisse de canard, lardons et crème moutarde’. Dan de ‘poitrine de veau braisée et ris de veau sauté aux champignon et, sauce aux morilles’ om te eindigen met een ‘crème brûlée à la vanille Bourbon’, die ik niet helemaal op krijg omdat ik nokkie vol zit.

…lopen we om 19:17 langs Tuschinski, alwaar Richard Gere zijn opwachting zal maken vanwege zijn film Arbitrage, er mensen in driedelig pak of galajurk de rode loper betreden en de gulzige Nederlandse pers te woord, er heel veel mensen van Tibetaanse afkomst zich hebben verzameld met dankbetuigingen richting Buddhist Gere inzake zijn standpunt betreffende dat land.

…komen we om 19:30 aan bij het Leidseplein, zodat we op tijd zijn om een goed plekje te bemachtigen maar waar op de hoek met de Lijnbaansgracht al een gigantische rij mensen begint met het zelfde idee, waarvan ik niet kan geloven dat ze voor mijn bandje - dat ik in 2002 als naprogramma in het bovenzaaltje van Paradiso heb gezien – staan te wachten, wat wel degelijk zo is, waardoor we genoegen moeten nemen met een plekje op het balkon, tweede rij.

…je niet verwacht dat de lange tengere blonde Noorse dame van het voorprogramma Blood Command zo’n screamo stem op kan zetten.

…een roadie van Biffy het podium inwijdt (?) door er wat water op te besprenkelen.

…diezelfde roadie met een waterkoker, thee en een flinke scheut honing aan de slag gaat om een vers bakkie te zetten voor Simon Neil.

…Simon nu een klein verhoogd podiumpje heeft om er zijn Biffy Biffy Ass Shake op te laten zien.

…er altijd mensen zijn die denken dat er nog plek is en zich er ongegeneerd tussen wurmen.

…ik er pas na drie nummers achter kom dat de toetsenist ergens achter de boxen, totaal uit het zicht is opgesteld, maar dus wel mee speelt.

…ik me erger aan de man naast mij, die eerst foto’s van het publiek neemt, wat niets dan vage vlekken oplevert, dan constant loopt te filmen, waarbij het publiek voor hem in schel licht komt te staan (what’s the fucking use?) en ik inwendig moet lachen als hij meezingt met een nummer, dat dus zijn eigen filmpje zal vergallen, denkt dat het nummer is afgelopen, stopt met filmen en dan  merkt dat het nog niet afgelopen was.

…Simon zijn microfoon omgooit, er liggend op de grond verder in zingt, maar het ding daarna wel zelf recht moet zetten.

…het opeens heel erg naar toiletverfrisser ruikt, of is het die dame daar, die zomaar ineens ruimschoots met haar luchtje is gaan spuiten?

…de band de focus legt op haar laatste drie albums, waar de commercieel gouden eieren vandaan komen, met twaalf nummers van Opposites, zeven van Only Revolutions en drie van Puzzle waardoor fans van het eerste uur er bekaaid af komen omdat de eerste drie albums worden genegeerd op één song na, dat dan weer wel één van mijn favorieten is: There’s No Such A Thing As A Jaggy Snake.

…de meest logische uitgang van de Melkweg is afgesloten, waardoor er een enorme opstopping ontstaat bij de jassen en mensen die geen jas hoeven te halen toch door die massa naar buiten moeten.

…ik tot de conclusie kom dat deze negende keer dat ik de band zie voor mij het minste is geweest, wat overigens niets met de zoals altijd energieke inzet van de band te maken heeft.

Lincoln



Te laat.

Zo’n 18 jaar (of eigenlijk 147 jaar), vanwege het feit dat de staat Mississippi pas deze maand officieel akkoord is gegaan met de afschaffing van de slavernij.

Zo’n tien minuten, als de film nog steeds niet is begonnen en de man naast mij maar eens gaat vragen of ze die willen starten.

Abraham Lincoln was de 16e president van Amerika en tegen de slavernij. Hij wilde het afschaffen via een amendement op de grondwet. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog wist hij er met de Emancipatie Proclamatie voor te zorgen dat alle slaven in de opstandige gebieden (het ‘Zuiden’) vrij werden, waardoor deze zich aan gingen melden voor het leger van het Noorden. Hij probeert vervolgens genoeg stemmen te winnen voor de aanpassing van de grondwet, die hem nog meer vrije zwarten op zouden leveren voor de strijd tegen het Zuiden, waarmee de burgeroorlog snel tot een einde zou komen.

Het verhaal in een notendop. Een verhaal dat mij tijdens de film van Steven Spielberg niet echt duidelijk wordt. En dat terwijl hij er 150 minuten voor heeft uitgetrokken!

Wat me wel duidelijk wordt, is dat (ook) in dit politieke spel het omkopen van tegenstanders er toe heeft geleid dat Lincoln de benodigde meerderheid kreeg voor zijn voorstel. Zijn ideaal is dus mooi, maar de manier waarop dit wordt verwezenlijkt… Je zou plat kunnen zeggen dat de zwarte bevolking vrij is geworden omdat een paar mensen een baantje in het vooruitzicht is gesteld! Meer dan ooit kun je zeggen: het doel heiligt de middelen. Toch besef ik me terdege dat politiek gekonkel niets voor mij is. Het is bijvoorbeeld de hoofdreden van het feit dat ik de goede serie Borgen na drie afleveringen heb laten zitten voor wat het is.

Wat me ook duidelijk wordt, is dat ondanks dat de hele film bestaat uit gortdroge en eindeloze discussies in voor-, hoofd- en achterkamers, saaiheid troef is in deze film, er drie mensen uit de kleine en goed gevulde zaal weglopen en dat Daniel Day-Lewis desondanks een Oscar verdient voor zijn portrettering van de president. 

zondag 17 februari 2013

Tim Christensen And The Damn Crystals - Patronaat Haarlem, 16 februari 2013



De achtste keer dat ik deze Deen ga bekijken, dit keer vanaf het balkon van het Patronaat te Haarlem. De laatste keer was in de Melkweg, mei vorig jaar, toen het nieuwe album net uit was. Nu dus een tweede ronde, want een volgend album laat nog even op zich wachten.

In het voorprogramma gaat de Utrechtse band Aestrid optreden, waarvan ik de muziek ’s middags nog even heb beluisterd op Soundcloud waarbij mijn interesse genoeg was gewekt om op tijd te komen. Helaas is er bezuinigd op deze cultuur en is de band geslonken tot Bo Menning, die zang, gitaar en toetsen tot zijn beschikking heeft en hiermee vrij eentonige klanktapijten weeft die hij met zijn kopstem voorziet van geluid (want onverstaanbaar). ‘Darkwave’, ‘dreamy’ en ‘haunting’ zijn de tags die bij de album preview van The Echo Resistance staan. Het spijt me om te zeggen dat het zich nu vertaalt in slaapverwekkend.

Op naar Tim, die ook solo de bühne betreedt. Of we het goed vinden dat hij eerst wat liedjes alleen doet voordat zijn band er bij komt. Tuurlijk Tim, no problem. Hij speelt vier liedjes op deze wijze. Het Dizzy Mizz Lizzy nummer Barbedwired Baby’s Dream wordt gevolgd door Never Be One Until We’re Two. Hij maakt dan even reclame voor de EP (vinyl) Volume 1: Acoustic Covers die hij net heeft uitgebracht, geïnspireerd door de webcamsessies die hij vaak doet waarbij hij nummers van bekende artiesten speelt vanuit zijn woonkamer. Zijn voorliefde voor hardrock wordt duidelijk als hij het nummer Shot In The Dark van Ozzy Osbourne gaat spelen, dat nog nooit zo lieflijk heeft geklonken. Als laatste van de vier songs is Right Next To The Right One aan de beurt. Midden in het nummer is hij de tekst opeens vergeten. Hij speelt door en zegt ondertussen dat hij het nummer al duizend keer heeft gespeeld en dit is de eerste keer dat hij een fout maakt. Hij pikt de draad iets verder weer op en maakt het nummer keurig af. Na het applaus komt de band op en kan Tim het niet laten om ons de vergeten tekst alsnog  mee te delen: “That a pretty face can take you places, you don’t wanna go”. Het is nota bene zijn favoriete regel (!).

Een mooie overgang tussen het solo optreden en de beukende rockband vormt het eerste nummer waarin het gas nog niet volledig open gaat, omdat het zo’n intieme song is. Het kippenvel veroorzakende Surfing The Surface. De band lijkt ontspannen, relaxed. Ze spelen deze avond misschien niet de meest strakke, maar wel een lekker dynamische set. Een mooie dwarsdoorsnede uit het rijke oeuvre van de man die je laat wenen en headbangen en alles er tussen in. Superior, Whispering At The Top Of My Lungs, Surprise Me, Happy Ever After. Tim en zijn Crystals laten de relationele problemen in Close The Door (“So leave it and close the door”) mooi overlopen in die van Don’t Leave Me But Leave Me Alone, met het wanhopige crescendo dat zich daarna zo mooi naar binnen keert.


Zoals altijd wordt er uitstekend gespeeld en zoeken de bandleden elkaar hier en daar op, wat tijdens de toegift zelfs uitmondt in een kus tussen gitarist Lars en bassist Søren, als ze de hoge vocalen tijdens de McCartney cover Live And Let Die voor hun rekening nemen. Tim’s bewondering voor de Beatles en Paul McCartney moge bekend zijn. Hij heeft zelfs een éénmalig concert gegeven (met o.a. Tracy Bonham!) dat helemaal in het teken stond van McCartney, die vorig jaar zeventig jaar werd. Een leuke bijkomstigheid is dat het concert als cd/dvd is verschenen.

Aan alles komt een eind, dus de bel voor de laatste ronde klinkt als het laatste nummer The Damn Crystals wordt ingezet. Het lange, eerste nummer van hun album dat uiteindelijk in opzwepend ritme de zaal nog een keer aan het ‘headbangen’ krijgt.

Toch is er nog een leuk toetje, voor wie geduld heeft. Bij de bar worden Tim’s producten verkocht. Ik besluit de EP aan te schaffen. Dan hoor ik toevallig dat de hele band zo naar boven komt om gedag te zeggen en te signeren. Onze groep van zes bestaat opeens uit giebelende tieners in plaats van ‘oudere jongeren’ en nog net niet met een blos op de wangen maak ik een praatje met Tim en drummer Jesper en laat ik mijn EP door alle bandleden signeren.


Het is een leuke kroon op een toch al zeer fijne avond.

Jason Becker: Not Dead Yet



Ik: “Interesse?” (met link naar Jason Becker: Not Dead Yet)
Hij: “Totaal niet eigenlijk. Jij?”
Ik: “Jawel. Ga hem binnenkort eens bekijken... Schijnt een goede docu te zijn”.
Hij: “Oh het zal vast goed zijn. Maar ik vrees toch dat het weer een kwestie van talking heads die beschrijven hoe briljant en uniek hij in zijn jeugd was, misschien wel de beste muzikant ooit, gevolgd door de dramatische sectie over zijn ziekte, oh groot onrecht en verlies van talent, om af te sluiten met hoe zijn liefde voor muziek hem heeft doen overleven en overwinnen als een fenix, bijgestaan door de liefde van zijn ouders. Laatste statement in de docu: hij is dankzij zijn ziekte een veel beter componist en muzikant geworden dan dat ie gezond ooit geweest zou zijn! Dat is wat ik denk dat het is. Maar duw mijn neus vooral diep in hoever ik er naast zit!”

Nou, dat ga ik niet doen, want natuurlijk zit hij er niet veel naast. Hij is een vriend die net als ik zijn muzikale wortels in de jaren tachtig heeft zitten en dan specifieker in de Heavy Metal.

Voor wie niet weet wie Jason Becker is: een technisch virtuoze gitarist die in de jaren tachtig op zeer jonge leeftijd furore maakte in de band Cacophony (met Marty Friedman) en daarna op twintig jarige leeftijd werd gevraagd door David Lee Roth om in diens band te komen als opvolger van Steve Vai. Het album dat hij met David heeft gemaakt heet A Little Ain’t Enough en al tijdens die opnames werd duidelijk dat Jason de ziekte ALS (Amyotrofe Laterale Sclerose oftewel Lou Gehrig's Disease) had en deze progressieve ziekte weet binnen afzienbare tijd zijn zenuwen te vernielen waardoor hij totaal verlamd raakt en snel zal sterven.
Maar…, hij is nog niet dood. Voornamelijk door de goede zorg van ouders en (voormalig) verloofde, die hem met goede voeding van een bijna lijk weten om te toveren tot een normaal uitziende man, die met behulp van een speciaal voor hem uitgevonden manier van gebarentaal - waarbij hij alleen zijn ogen gebruikt - weer kan spreken en zelfs muziek kan maken.

Ik: “Soms kan het heerlijk zijn als verwachtingen uit komen, toch?”

Dus het is best heftig als je via diverse sprekende hoofden (familie, vrienden, muzikanten) hoort wat de jonge man is overkomen. Maar vooral het tweede deel is interessant. Hierin wordt duidelijk hoe hij de muzikale symfonieën die hij in zijn hoofd hoort weet om te zetten naar hoorbare muziek. Als je weet hoeveel noten per minuut hij gemiddeld speelde, moet het niet gemakkelijk zijn om dit proces te vertragen, zodat je noot voor noot kunt aangeven wat het moet zijn. Het doet denken aan de prachtige film The Diving Bell And The Butterfly, waarin de verlamde Bauby een heel boek weet te schrijven. Het doet denken aan de fantastische film Amadeus, waarin de componist op zijn sterfbed noot voor noot zijn Requiem uitspelt aan Salieri. Maar dat waren (hoogstaande) gedramatiseerde verfilmingen en dit is een documentaire, die zeer zeker weet te boeien, maar niet excelleert, zoals Becker dat ooit zelf deed.  

Voor de volledigheid wil ik nog even zeggen dat ik de muziek van Jason Becker in mijn Metal verleden wel heb leren kennen, maar er nooit echt een fan van ben geweest. De technische virtuositeit werd mijns inziens nooit omgezet in een herkenbaar eigen geluid of memorabele muziek. Iets wat ik bij Eddie Van Halen en Yngwie Malmsteen bijvoorbeeld wel vond.

Conclusie? Het enige waarop mijn vriend er naast zit, is dat deze documentaire gespeend is van melodrama en er zeker niet wordt gezegd dat hij nu een betere muzikant is dan hij toen was. Duidelijk is wel dat de lijdensweg van Becker pas nu en dankzij deze film goed tot mij is doorgedrongen.

The Collection



The Collector. Saw meets Cube met enige emotionele diepgang. De meelevingsfactor gaat in werking. Het maakt deze film zeer doeltreffend. Spanning en gruwel zoals ik die al een tijdje niet heb gevoeld. En ook nog eens apart camerawerk, oog voor detail (let op de goudvis), zenuwslopende geluidseffecten en een bijzonder effectieve muziekscore”. Dit schreef ik in 2010. Dus mijn interesse was gewekt toen ik vernam dat er een vervolg uit was genaamd The Collection.

De draad wordt opgepikt direct na het einde van de eerste film. Tijdens een geheim feest in een vage club stuit hoofdpersoon Elena op de bekende rode hutkoffer waar ze Arkin (de dief en hoofdpersoon uit de eerste film) uit bevrijd terwijl ondertussen bijna alle aanwezigen tot bloederige hompjes vleespulp worden gemalen, omdat de verzamelaar de club heeft omgebouwd tot een gigantische boobytrap. Elena wordt op haar beurt meegenomen in de koffer en haar rijke pappie schakelt een legertje aan zwaar bewapende mensen in die m.b.v. Arkin het onderkomen (groot hotel) van de seriemoordenaar (ondertussen dus ook massamoordenaar) ingaan om heldhaftige dingen te doen.

Alles wat de eerste film zo goed maakte wordt hier enorm gemist. Weg is de meelevingsfactor. Zowel spanning als gruwel zijn ondermaats. Ik heb geen apart camerawerk gezien, laat staan oog voor detail. Om over het geluid maar te zwijgen. De keuze om het anders aan te pakken is zeer slecht uitgevallen. In zijn eigen huis zou de ‘collector’ toch alle touwtjes goed in handen moeten hebben, maar dat is totaal niet zo. Natuurlijk zijn er wat gezichtsloze schapen die op de slachtbank komen, maar daar zit ik eigenlijk al fout, want het zijn geen schapen dit keer, het zijn wolven. Zwaarbewapende wolven met een missie, plus twee helden die zich laten gelden. Geen achtergrondverhaal, geen empathie, geen interesse in de personen die het wel of niet gaan redden. Wat dat betreft treedt deze serie in de voetsporen van Saw: een goede eerste, maar belabberde vervolgen.

Waar The Collector eng dicht op de huid zat, maakt The Collection het verschrikkelijk theatraal en afstandelijk. Na een slappe zeventig minuten is het gepiept. Deze verwaarloosbare film kan niet in de schaduw van zijn voorganger staan en ik begrijp ook echt niet dat beide films ongeveer dezelfde waardering krijgen op IMDb.